This is a reproduction of a library book that was digitized by Google as part of an ongoing effort to preserve the information in books and make it universally accessible.
Google books
https://books.google.com
Over dit boek
Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken.
Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrechttermijn is verlopen. Het kan per land verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn.
Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u.
Richtlijnen voor gebruik
Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op automatisch zoeken.
Verder vragen we u het volgende:
+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden.
+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien hiermee van dienst zijn.
+ Laat de eigendomsverklaring staan Het “watermerk” van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet.
+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng.
Informatie over Zoeken naar boeken met Google
Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en uitgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken
op het web vialhttp: //books.google.co
LIBRARY OHIO STATE UNIVERSITY
Digitized by Google
6, Ag Z
WE: real nde.
= za > le
HENDRIK VAN VELDEKE
«
(volgens het Heidelbergsche handschrift.)
Cliché bereidwillig ter beschikking gesteld door het Comité
ter herdenking van het 8ste eeuwfeest van He endrik van Veldeke (Maastricht).
\
A eb at
mee eeen a ten ee er
Dn Et 5,
JOZ. DROOGMANS
HENDRIK VAN VELDEKE
De eerste Dietsche Dichter ZIJN LEVEN EN ZIJN WERK
Hulde aan den grooten Loonschen Zanger wit de XII® eeuw, bij gelegen- heid der herdenking van het achtste eeuwfeest zijner geboorte te Veldeke, bij Spalbeek (Hasselt).
ge Lr ad
hd Ko Si |,
G. MICGHIELS-BROEDERS St-QUINTINUS-DRUKKERIJ TONGEREN HASSELT
1928
Van dit werk werden 500 exemplaren gedrukt op Feather- weight papier, genummerd van 1 tot 500, en 5 exemplaren op Hollandsch papier, genummerd van I tot V, niet in den handel.
Dit is nummer : nn
ONZE ‘GELIEFDE KONINGIN ELISABETH
Bezielster van vele dichterzangen, Hooge Beschermster der edele Kunsten, die de opdracht van dit boek over
HENDRIK VAN VELDEKE
DEN RIJKBEGAAFDEN DIETSOHEN DICHTER, DEN EERSTEN VAN DIT LAND, WELWILLEND AANVAARDDE,
ZIJ HIER DIEP EERBIEDIG EN DANKBAAR HULDE GEBRACHT.
De Schrijver.
TER INLEIDING.
Geachte heer Droogmans,
K verlang U mijne hooge voldoening uit te drukken
| over uwe breedvoerige Bio- en Bibliografische studie over
onzen beroemden gouwgenoot HENDRIK VAN VELDEKE,
bij gelegenheid der herdenking van zijn 88te eeuwfeest, in 1928.
Over al wat meewerkt tot Limburgs grootheid zal ik mij steeds verheugen.
Limburg, d. i. het oude graafschap Loon, mag fier terug- blikken op het eerste goede proza-werk dat in onze taal ge- schreven werd en tevens op het eerste verdienstelijk tooneel- werk dat wij bezitten; vooral echter bogen wij erop dat onze Gouw, waar de eerste beschaving in België gebloeid heeft, de bakermat is van onzen eersten Dietschen Dichter, wellicht ook onzen eersten toondichter. —
Hier is nu de man dien heel België en daarbij gansch het Nederlandsch-sprekend volk aan Limburg mogen benijden. De naam alleen van H. VAN VELDEKE is de groote adelbrief van Limburg. Van Veldeke staat daar van af de jaren 1100 en getuigt voor den ouden adel dezer Provincie, voor de aloude Limburgsche kunstzin en ontwikkeling en beschaving.
Ten slotte is van Veldeke de roem en het sieraad van heel ons Vaderland, hij de Eerste Letterkundige van alle de negen Gouwen van België : niet alleen de Eerste maar ook een buiten- gewoon-hoogstaande.
Dit zijn redenen te over, geachte heer, die alle Limburgers, alle Vlamingen en Nederlanders moeten aanzetten om den « Vader der Dietscen dichtren algader » : zijn leven en zijne werken, te leeren kennen, ten einde, in begrijpend-waardeeren, dit jaar, diens 85te eeuwfeest op waardige wijze te vieren.
as
Daarom verschijnt uwe uitgebreide studie ten gepasten stonde: zij licht den Lezer in over tijd en midden waarin van Veldeke geboren werd, leefde en dichtte ; over zijn leven en over al zijne werken, alsmede over ’s dichters beteekenis en invloed, zoowel als over de zeer omvangrijke bibliographie en icono- graphie betreffende den XII-eeuwschen Ridder-Dichter.
Ik koester dan ook de hoop, geachte heer Droogmans, dat, — dank zij de eensgezindheid en de saamhoorigheid van alle Limburgers en van alle Belgen, — de grootsche van Veldeke- Herdenking, in 1928, prachtig slagen moge, en uw werk hiertoe zooveel mogelijk bijdrage, opdat — door deze viering — de beteekenis en roem van HENDRIK VAN VELDEKE, steeds mogen groeien en hij voor de oogen van gansch ons Volk, eindelijk, de waardige plaats bekleede waarop hij zoo overvloedig recht heeft als Eerste levenwekker onzer Dietsche Taal, onzer Ne- derlandsche Letterkunde.
Met de meeste achting.
Huserrt VERWILGHEN.
Gouverneur van Limburg.
Hasselt, den 252 Mei 1928.
nn
waarvan ik het historisch gedeelte las, heeft me den
schrijver doen waardeeren als iemand die zich volkomen thuis gevoelt op het gebied der Middelnederlandsche littera- tuur. J. Droogmans heeft zijn onderwerp met een oprechte liefde behandeld en het tot in de kleinste bizonderheden door- grond, Zijn uitgebreide dooumentatie is verbazend; de be- twiste punten heeft hij vrij oorspronkelijk belicht en af en toe zet hij persoonlijke opvattingen vooruit die merkwaardig juist blijken te zijn en getuigen van een schrander doorzicht.
Hij slaagde er in Hendrik van Veldeke in zijn middel- eeuwsch maatschappelijk midden te plaatsen : terwijl de adel ongeletterd bleef en de kloosterlingen uitsluitend de Latijnsche taal huldigden, was het gemeenteleven in steden als St-Truiden en Maastricht reeds ontloken. Een nieuwe wonderbare geest bezielde de samenleving. Onze adellijke dichter, alhoewel opgevoed in een klooster-school, is onder den invloed gekomen van deze jonge en veelbelovende burgerij : hij dichtte in de toenmaals gesproken volkstaal.
Omdat de heer Droogmans dàt heeft begrepen, mag zijn werk niet alleen, volledig worden geheeten : het is ook gedeel- telijk nieuw.
Dr. J. LYNA, Adjunct-Conservator, Staatsarchief, Hasselt.
D' studie « Hendrik van Veldeke », door J. DROOGMANS,
1 gelegenheid der herdenking van den 800F verjaardag
DB van Veldeke'’s geboorte, heeft de heer Droogmans zijne
beste krachten gewijd aan eene breed voerige studie over
de werken en ’t leven van den oudsten Nederlandschen dichter.Wel
verschenen reeds verschillende werken over onzen Limburger,
en daartusschen eenige zeer waardeerbare ; doch eene nieuwe
degelijke en volledige studie over den edelman-dichter werd
gewenscht, niet alleen door de leden der Veldeke-Commissie,
maar door alle vrienden en beoefenaars onzer Nederlandsche Letteren.
Mij, die reeds van vóór veertig jaren mij bezig hield met den toen om zoo te zeggen onbekenden grooten man,en nu de eer heb als Voorzitter der van Veldeke-betooging op te treden, mij was het een blijde tijding te vernemen dat J. Droogmans' boek zal gedrukt worden, en ik vervul een waren en tevens aangenamen plicht het werk van den jeugdigen, ijvervollen __en best gedocumenteerden schrijver aan te bevelen.
Poryp. DANIËLS, pr., Bibliothecaris-Archivaris, Hasselt.
VERANTWOORDING.
omstandigheden, zijn grooten : zieners, levenwek-
kers en bezielers (voorloopig) schijn-vergeten, mis- kennen zelfs ; geldt het waarachtig grooten echter, die de natuur van het ras getrouw gebleven zijn, die niet vervreemdden van hun stam- en taalgenooten dan ge- voelt het volk (vroeg of laat) dat eenzelfde hartebloed klopt in de aderen van zijn zielseigene uitverkorenen, en — in begrijpend-waardeeren — dankt het zijn leiders, zijn voor- mannen, zijn herauten, zijn ontvoogders, zijn geestelijk- begenadigden, zijn koningen naar hart en geest, wier leven en wier werk, ons leven een belofte tot verklaring schenkt.
Alle volkeren vieren hun denkers, hun dichters, hun « repre- gentative men », « de voortrekkers van hun stam»: « Engeland» — zoo roept Carlyle uit—«wilt ge uw Shakespeare, of uwe Indiën?.…. Indiën vergaat en Shakespeare blijven zal ! »
Edoch, waar andere landen weleens hoofdzakelijk de krijgs- haftigheid herdachten van hun gevierden, groette Vlaanderen steeds met ontdekten hoofde, biddend haast, zijn staatsman- nen, graven, volksleiders en helden, van af Gwijde van Dam- pierre, Zannekin, Pieter de Coninck, Jan Breidel, Marnix van Sinte Aldegonde, Jacob en Philips van Artevelde, Sneyssens, tot aan de stille helden van den Boerenkrijg ;
Zijn geleerden zooals : Mercator, Vesalius, Dodoens, Simon Stevin, Ortelius, Justus Lipsius en van Helmont ;
Zijn middeleeuwsche, ongeëvenaarde bouwmeesters der slanke gothische kerken, der Vlaamsche hallen, belforten en stadhuizen, de flonkerendste sieraden onzer steden : zijn bouwkundigen, o. a. van Ruysbroeck, de Layens, van Bo- deghem ; zijn beeldhouwers en houtsnijders van af Claes Sluter, Hendrik van Laethem, de Maelder tot aan Colin en Dugquesnoy ;
Zijn schilders: vooral de van Eycken, Hans Memling, de beide Breughels, Rubens, Jordaens, van Dyck en Teniers ;
Vel 2.
We kan een volk, tijdelijk misleid door allerlei
— 10 —
Zijn musici, van af de minnezangers, de contrapuntisten, de school der Vlamingen in Italië met o. a. Adriaan Willaert en Orlando Lasso, tot aan van Beethoven en Peter Benoit ;
Zijn dichters, van af die allereerste grondleggers onzer taal : Hendrik van Veldeke, Jacob van Maerlant en Ruusbroec, tot aan die vertolkers der schoonheid in de Vlaamsche natuur, in de Vlaamsche ziel; het noodvuur dat ons volk wakker straalde zooals Conscience, Snieders, David, Rodenbach, Ge- zelle en Hugo Verriest !
En welke gouw heeft er niet haar « groot man », — liefst uit de allereerste tijden der beschavingsgeschiedenis, — op wien zij fier terugblikt ?
Al heeft de heer C. Huysmans, op 20 Januari 1926, ter zitting van de Koninklijke Vlaamsche Academie (1), bewezen dat het door hem, vóór 'n 40-tal jaren, te Bilsen ontdekte (2) eenig meesterlijk mysteriespel De Menschwordingh aan Läim- burg ontvalt, wijl niet een priester van Bilsen,met name Jan Emerix, doch de Groote Vlaming van den Westhoek, Michiel de Swaen, de klassieke Nederlandsche dichter van Duinkerken de schrijver van dit drama is ; toch blijven wij, Limburgers, nog immer fier terugblikken op onze kunstschatten uit de verre Middeleeuwen. Wordt het eerste goede proza-werk in onze taal geschreven : Van den levene ons Heren, — dag- teekenend uit het begin der XIV®eeuw — of ouder nog, van «tusschen 1260-1270» (3) — niet het Limburgsche genaamd ?
Niet minder roemen wij, in deze verwaarloosde gouw, op het Leven van Sinte Lutgart van Tongeren, door Willem, Prior van Afflighem, later abt van St-Truiden, dichterlijk- vloeiend vertaald, « waarschijnlijk tusschen 1262-1274» (4), — en met rechtmatigen trots verwijzen wij naar de 48 preeken, de Zimburgsche sermoenen, omstreeks de jaren 1320-50, door een Limburger, hoogstwaarschijnlijk een monnik uit de buurt van Maastricht of Tongeren aangelegd (5).
(1) Verslagen en Me ededeelingen der Kon. Vl. Acad. voor Taal en Letterkunde, Jan. 1926, blz. 38 en vlg.
(2) Zemburgsch Jaarboek voor 1892-1893 dr blz. 66 en vlg. Vgl. Versl. en Med. Kon. Vl. Acad., Jan. 1926, blz. 44
(3) Te WINKEL, Geschiedenis der N ader tandeene Letterkunde, Haarlem, 1887, deel I, blz. 266-268. Vgl. Karrr, Geschiedenis der Ned. Lett., I, Groningen, 1906, blz. 132.
(4) Prof. G. KaALFr, op. cit, blz. 150.
(5) Dr.J. VAN MrerLo, Jun, S. J., in Versl. en Med. Kon. Vl. Acad., Januari 1926, blz. 51.
EN ne
Fier gaan wij, Limburgers, op het eerste verdienstelijk tooneelwerk dat wij in onze literatuur aantreffen, n. l. het te Maastricht gevonden Maestrichts Paasch- of Verrijzenisspel, uit de XIV® eeuw (1), het voornaamste en oudste mysteriespel dat wij bezitten ; en bijzonder bogen wij op de oud-Neder- landsche Psalmen, de Wachtendoncksche Psalmen,« die het merkwaardigste overblijfsel van onzen grijzen voortijd uit- maken» (2), onder de regeering van Karel den Groote ont- worpen en in ’t begin der Xeeeuw bijna geheel in het Lim- burgsch dialect vertaald !
Laat het den heer Dr. Lyna, Staatsarchivaris te Hasselt, dan ook gelukken, zegevierend zijn thesis te staven en on- weerlegbaar te bewijzen, dat de twee geniale Limburgers, Jan en Hubert van Eyck, (wier namen op de 1® bladzijde van de geschiedenis onzer schilderkunst prijken), — alhoewel onbetwistbaar zonen uit de Maasvallei, — niet te Maeseyck geboren werden ; — wij, Limburgers, gaan er bóvenal fier op dat Belgisch Limburg, — voorheen ’t graafschap Loon, — waar de eerste beschaving in België gebloeid heeft, de baker- mat was van onzen Eersten Dietschen Dichter, wellicht ook onzen Mersten Toondichter : Hendrik van Veldeke, die, een eeuw vóór Jacob van Maerlant, de Sint-Servatiuslegende en de Eneïde schreef, in Dietsche taal, en een reeks hoofsche, welluidende Minneliederen zong in een Limburgsch dialect. Met Bastiaanse mogen wij dan ook fier verklaren (3), dat wij, «met Veldeke het vroegste letterkundig leven in Limburg (4) zagen ontstaan. vóór Vlaanderen nog, en langen tijd vóór Brabant en Holland », hetgeen ook Ten Brink reeds vroeger deed uitroepen : « Een Limburger valt de eer te beurt in de geschiedenis der Nederlandsche Letteren, het eerst te worden genoemd » (5). Met Te Winkel herhalen wij : « De geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde begint in het midden der
(1) Morrzer, Mid. dram, Poëzie, blz. xxxr.
(2) Dr. W. J. J. JoNoKBLOET, Geschied. der Nederl. Letterkunde, Groningen, 18843, deel I, blz. 137.
(3) Fr. BASTIAANSE, Overzicht van de Ontwikkeling der Nederl. Letterkunde, Amsterdam, z. j., deel 1, blz. 26.
(4) Natuurlijk wordt hier, en elders ook, niet Limburg (de Belgische Provincie die slechts veel later ontstond) bedoeld, doch ’t graafschap Loon, 't gewest waarin Hendrik van Veldeke geboren werd en wiens enen trouwens nagenoeg samenvielen met die van de huidige
rovincie Belgisch Limburg. Zie verder, hfst. II.
(5) Dr. J. TEN BrINK, Geschied. der Nederl. Letterk, Amsterdam,
1897, blz. 30.
— 12 —
XIIeeeuw in Limburg met Hendrik van Veldeke» (1), terwijl wij ’t Jonckbloet nazeggen : « In Limburg konden wij de oudste sporen van Nederlandsche Letterkunde waarnemen »(2).
Wat bovendien Veldeke’s internationale beteekenis betreft, — in verband « met de ligging dezer lage landen als een schakel tusschen Germaansche en Romaansche landen» (3), verwijzen wij naar Dr. Prinsen ’s oordeel, waar deze getuigt dat « Veldeke'’s hoofsche minnedienst onder Zuid-Franschen invloed staat en hij de heerweg vormt, waarlangs die invloed Duitschland binnentrekt » (4).
Kortom, met Prof. Te Winkel verklaren wij : « Meer dan van Maerlant, die een volle eeuw nà hem leefde, heeft hij, Hendrik van Veldeke, recht op den eerenaam : « de vader der Dietscen dichtren algader » (5).
Moge dan mijn bescheiden pogen een late, doch oprechte hulde bieden aan onzen Loonschen ridder-dichter, die tusschen 1126 en 1128, — nu 800 jaar geleden —te Veldeke bij Spalbeek, op ’n uur afstand der stad Hasselt, het levenslicht aanschouw- de.
Na de grondige studies aan den persoon en aan 't werk van onzen allereersten Dietschen Dichter gewijd, in Duitschland, o. a. door Ettmüller, Kraus, Wilhelm, Braune, Roetteken, Meyer, doch vooral door Otto Behaghel ; na de opzoekingen van Goa, in Italië, van Firmery en Pèy, in Frankrijk, alsmede van Jonckbloet, Te Winkel, Ten Brink, Kalff, Franquinet, Leviticus en Van Dam,in Nederland, en bij ons o. a. deze van Scharpé en Kempeneers; na ’t verschijnen der ver- handelingen van Veldeke ’s gouwgenooten : Bormans, Serrure, Daniëls, C. Huysmans en L. Lambrechts (6), — kom ik gewis te laat met mijne schets, om nog oorspronkelijk te kunnen zijn. Oorspronkelijkheid is vooralsnog uitgesloten totdat b. v. t een of ander Handschrift van Veldeke’s Eneïde of Minne- liederen in Limburgsch dialekt ontdekt worde, tenzij nog vele
(6) Cfr Ber met Seve der studies nopens het a Veldeke-Probleem », aan ‘tslot van dit boek.
Ee
fragmenten van het XII° eeuwsche handschrift van diens St-Servatius-legende opgespoord werden, ter aanvulling van de snippertjes door Meyer, te Mûnchen, en door B. Schulze, te Leipzig gevonden, waar ook prof. Scharpé, in 1899, eenige perkament-strooken losmaakte die aangeplakt zaten tegen den band van een aldaar gecatalogeerden ouden incunabel (1).
Mijn nederige bedoeling ts, al wat aangaande Hendrik van Veldeke werd opgediept, geschreven, betwist enz., in een breede synthesis saâm te brengen, zoo objectief mogelijk en ook zoo volledig als dit een vulgarisatiewerk past, vermits tot nog toe geen algemeene bespreking van het veelzijdig Veldeke-Probleem, en boekvorm werd uitgegeven (2).
Men mag echter van me, buiten in het 1 hoofdstuk, niet verwachten een droge opsomming van documenten en feiten, omdat ik te zeer in mijn onderwerp opging en dat mijn lange overwegingen onvermijdbaar mijn persoonlijke opvat- ting af en toe vooruitdrongen.
Nu dit vertoog immers geplaatst wordt in het teeken der geestdriftige huldiging van onzen eersten Nederlandschen zanger, zal de Lezer ook Bulwer Lytton’s woord wel willen indachtig zijn : « De geestdrift deed immer menige fout der jongeren, ook der ouderen vergeven, zooniet vergeten zelfs ! » Overigens, «het zoeken naar groote mannen, is de droom van den jongeling en de meest ernstige bezigheid van den vol- wassen man...» aldus R. Emerson.
Gewis konden vele belangwekkende twistpunten, over Vel- deke’s leven en gedichten, alleen vermeld worden in eene bij- drage, die slechts als vulgarisatie-werk wordt bedoeld — vulgarisatie vooral van wat de Veldeke-kenners over zijn persoon en zijne poëzie schreven — en geenszins aanspraak maken wil op eene grondige, alles-belichtende behandeling van wat prof. Van Dam eertijds « Das Veldeke Problem » noemde. Nochtans werd, ten gepasten stonde, de aandacht der liefhebbers eener meer uitgebreide studie steeds gevestigd
(1) Cfr. Leuwensche Bijdragen, III, blz. 13-14, over de ontdekking van bedoeld handschrift. Zie verder, hfst. III.
(2) Nadat dit werk pers-klaar lag, verscheen echter, half 1927, te Gent, een boek over Hendrik van Veldeke-Middelnederlandsch Dichter, door Prer SorePeENs. Volgens den schrijver, wordt zijn werk bedoeld « als een populaire schets » (blz. 5) en koesterde hij « het voor- » nemen van enkel eenige eenvoudige, bondige bladzijden over Vel- » deke te schrijven », — zooals de Heer Schepens zelf zegt aan ’t slot van zijne belangrijke samenvattende studie, op blz. 83.
=de
op het werk van specialisten, wier oordeel ik liefst zoo dik- werf mogelijk aanhaalde,en bij voorkeur ook woordelijk, voor- al waar het twijfelachtige vragen geldt, mij veilig ende oot- moedig beschuttend onder hun gezag, aan « Cesar gevend wat aan Cesar toekomt», zonder aanhanger te willen zijn van Molière’s theorie : « Je prends mon bien où je le trouve », hetgeen wel eens beduidt : « Ik zal niet verwijzen naar de bronnen waar zoo gretig en... zoo ondankbaar wordt geput ! » Veeleer zeg ik 't Hendrik van Veldeke na, wat hij zoo een- voudig beleed, in verzen 18.514-13.515 van zijn Eneîde, ter verklaring dat hij zijn epos « ût den welsken boeken las » :
end enlouch he niet, só es et wûr, dat Heinrich gemaket hât dar nâ,
— en loog mijn zegsman niet, zoo is ook waar hetgeen ik hem nazeg !
Ook voor dit simpel huldebetoon, voor deze goed-bedoelde poging :
mit goeder herte biddic hen die dit Dietsche sullen lesen dat sé mijns ghenadich wesen…
(MAERLANT, Franciscus, vv. 125-128.)
* od Ed
De bibliographie, aan ’t slot van deze schets, biedt een uitvoerige lijst van studies en verhandelingen die vroeger over de besproken stof werden uitgegeven en voor diepgaander onderzoek zouden kunnen geraadpleegd worden; zij moge ook een bewijs leveren van het belang dat steeds in Veldeke's persoon en in zijn werk gesteld werd, hier en elders. Niet alleen de studies door specialisten geschreven over 't een of ander punt van het Veldeke-Probleem werden vermeld, doch insgelijks, zoo volledig mogelijk, de afzonderlijke bijdragen en artikels in tijdschriften verschenen, benevens de algemeene werken over Nederlandsche en Duitsche Literatuurgeschie- denis waarin, minstens bondig, de hoofdmomenten uit 's dich- ters leven en de bijzonderste kenteekenen van zijn oeuvre worden aangeduid. Voor andere terloops geraadpleegde boeken over Letterkunde, Geschiedenis enz., verwijzen we naar de aanteekeningen in den tekst en in de voetnota’s.
== IE —=
En nu, ten slotte, is het mij een aangename plicht, ootmoe- dig, mijn oprechten dank te betuigen aan den Weledelen Heer H. Verwilghen, Gouverneur der Provincie Limburg, den zeer gewaardeerden Voorzitter van ’t Eere-Comité der Herdenking Hendrik van Veldeke, voor zijne zeer vereerende belangstel- ling en hooge bescherming.
Gaarne ook betuig ik mijne erkentelijkheid aan den Leu- venschen Hoogleeraar L. Scharpé, den gevierden Voorzitter van het Algemeen Veldeke-Comité, die, door tusschenkomst van mijn goeden vriend Drs. Paul Cools, zich gewaardigde, aan 'n profaan, de verlangde studieboeken, in bruikleen, toe te vertrouwen.
Dank, eveneens, aan den Z. Eerw. H. P. Daniëls, den immer jeugdigen, den zeer geleerden en uiterst bereidwilligen archi- varis-bibliothecaris der stad Hasselt, den ieverigen Voorzitter van het Limburgsch Veldeke-Comiteit, die de gevraagde wer- ken te mijner beschikking stelde, maanden lang, zoo ’t ook deden de heer G. Sengers, Hoofdopziener over 't Lager Onderwijs te Hasselt, de Z. Eerw. H. J. Schoofs, Provisor in ’t Klein Seminarie te Sint-Truiden, alsmede de heer Dr. J. Lyna, Staatsarchivaris, te Hasselt, dien ik nooit vruchteloos om inlichtingen bad : aan hen allen mijn hartelijken en wel- gemeenden dank (1)! |
En, « last not least », dank tevens aan den durvenden promotor der Veldeke-Herdenking in Limburg, den heer Eug. Leën, schrijver van ’t Davidsfonds en van 't Leesgezel- schap te Hasselt, voor zijn belangstelling in deze schets, voor zijn aanmoediging en zijn steun.
Kortom, dank ! — zegt de schrijver onzen dichter Hendrik van Veldeke na, — hartelijken dank
Alle dies hem baden nde hulpe daer toe daden
Bnde allen dienst lieff was. (Sr-Serv., I, 3247-3249.)
Hasselt, den 255 April 1927 (2).
(1) Mijn dank is des te grooter, omdat ik, ondanks de bereidwillig- heid der Heeren bibliothecarissen, zelfs ter Universiteitsbibliotheken te Leuven en te Gent, evenmin als op de Koninklijke Bibliotheek, te Brussel, en op de bibliotheek van ’t bisdom, te Luik, niet al de ge- wenschte werken kon bekomen.
(2) Alhoewel pers-klaar van in ’t begin 1927, kan deze verhandeling, tengevolge van een samenloop van verschillende omstandigheden,
slechts thans verschijnen.
TIJD EN MIDDEN WAARIN HENDRIK VAN VELDEKE LEEFDE.
Philosophie de U’ Art, over «larace, le milieu, lemomentx( 1)
te willen overdrijven noch te onderschatten, dient bondig aangetoond, welke de tijd was en het midden waarin Veldeke leefde. Leert ons Goethe niet : « dat het werk des dichters openbloeit uit de gedachten en de gevoelens van de eeuw waarin hij dichtte, en dat geest en hart, hoe ruim zij ook wezen, vervuld zijn met die gedachten en gevoelens? »
Trouwens, in Veldeke's werk — evenals in ’t euvre der andere XII® eeuwsche schrijvers — ontwaren wij het denk- beeld dat de dichter zich alsdan vormde over ’t geluk en ’t onheil ; over de liefde en de vrouwenvereering ; over het gemoedsleven: vreugde, onrust, kommer, vrees, toorn, mede- lijden zijner helden ; over geloof, godsdienstzin, hel en hemel, kortom over al de groote belangen van ’s menschen leven. Zoo treft ons ook wel eens een bijzonderheid over zijn ge- boortestreek en de nabijliggende gouwen, over zijn land- en ranggenooten en over de geschiedenis van zijn volk en zijn tijd, als zoovele bronnen van zijn gezangen, ook beïnvloed vaak door voorgangers en tijdgenooten. Veldeke dus, ge- plaatst in het kader van die veel omstreden Middeleeuwen : « Moyen-âge énorme et délicat » (naar ’t gevleugelde vers van Verlaine) !
Veel geleerden denken er over zooals Michelet, Tollens, Boileau en Hallam, en aanzien als Une nuit de mille anndes, «een zwarte walm — een barre nacht », « ces giècles grossiers »
JPrän nu ook Taine’s deterministische theorie, uit zijn
(1) H. TAINE, Philosophie de l'Art, Paris, 192117, t. II, pp. 84 suiv., et t. I, pp. 65, suiv. et passim.
— 18 —
der « dark Middle Ages » (1). Anderen : geschiedkundigen, kunstenaars en critici, zooals Baumgartner, Ehrard, Meiners, Eichhorn in Duitschland, hebben over de Middeleeuwen een gansch tegenovergestelde meening en begroetten haar met Schlegel als « het begin eener belangwekkende periode », gelijk ook o. a. Gaston Paris, Alfred Rambaud, Léon Gautier, J. Anglade, Ach. Luchaire, Roger-Peyre en J. Calmette, in Frankrijk, dit tijdperk op hoogen prijs stellen omwille « de la représentation de l'idéal social, moral et poétique ». Ook in Nederland werd die periode, b.v. door Hofdijk «hooggeschat om hare nooit rustende krachtsontwikkeling» en door Te Winkel werd zij bewonderd om « het ridderwezen met zijn onkreukbare trouw, zijn fijn gevoel van eer ».
Omdat de geschiedbronnen, die ons over den toestand in dien tijd inlichten, zeer zeldzaam zijn en wij er ons aldus bezwaarlijk een juist idee van kunnen vormen, moeten we, in onze wanhoop, de Middeleeuwen niet het zwarte tijdvak noemen. De XII® eeuw mag integendeel buitengewoon be- langrijk worden geheeten, omdat uit de maatschappelijke evolutie die toen haar beslag ging krijgen, de instellingen wer- den geboren die zes eeuwen lang de samenleving zouden beheerschen.
De voornaamste factor van deze machtige evolutie was ongetwijfeld de godsdienst die alsdan voornamelijk het geheele leven doorademde. Niet te verwonderen dus, dat de invloed ervan zich ook op kultureel en maatschappelijk gebied gelden deed en niet het minst in de kunst, wier opbloei in dit tijdperk valt, en wier openbaringen in meer dan een opzicht zijn gegroeid uit het nieuwe leven, dat door de ontwikkeling van het religieuze gevoel opgewekt werd. « Naarmate de verdieping van het religieuze gevoel doordrong, — schreef Dr. van Mierlo, — naarmate de ridder-idealen stegen, naarmate met het verre Oosten het mysterie van het onbekende en nooit-vermoede de gemoederen aangreep, wijzigden zich ook de onderwerpen
(1) Er weze hier, van in den beginne, op gewezen dat de, eerlijk- heidshalve, liefst letterlijk aangehaalde citaten ontleend werden aan de werken van algemeenen en bijzonderen aard,aan’t slot vermeld in de pn gn opgave. Ten einde de lezing niet al te dikwerf te onderbreken, werden meest alle voetnota’s-verwijzingen wegge- laten, wanneer het bronnen betreft waaruit reeds eenmaal geput werd ; dit geldt bijzonder voor de hoofdstukken welke rechtstreeks op Veldeke's leven en ceuvre betrekking hebben, te meer daar de kn studies nauwkeurig in de bibliographie aangeduid worden.
— 19 —
dier kunst. Daarbij kwam, dat in de XI°e, XIIe eeuw de studie der klassieke letteren weer was opgebloeid : een echte Re- naissance, deze minder geestdriftig en opgetogen dan gene van de XV® eeuw. De Universiteiten waren op komst. Aan Virgilius, Lucanus, Ovidius, Horatius, Juvenalis, Cicero, Sene- ca, Plinius en zoo vele anderen ontleenden geschoolde dich- ters met de procédés van hun kunst, niet zelden hun motieven en hun geleerdheid. Daarin werkten ze dan de nieuwe ridder- idealen uit, al schiepen ze dan ook de helden der Oudheid of de clanhoofden van het geheimzinnige Britannië niet uit onbeholpenheid of onmacht, maar uit bewuste kunst, tot christelijke ridders » (1).
En christelijke ridders telde Veldeke's eeuw, dank zij den machtigen invloed der Kerk op het ridderdom, toen b. v. de ridderwijding een kerkelijke plechtigheid wordt, waarbij de priester den nieuwen, christelijken krijgsman zijne plichten voorhoudt, die deze op het Evangelie bezweert. Ook mocht dan Dr. Kalff verklaren dat, onder invloed van het Katholiek geloof, «de woeste strijdlust van vroeger, in veilige bedding werd gebracht, aangewend tot ontwikkeling en beschaving der maatschappij. »
Laat dan ’n Molière nog gewagen van « Siècles ignorants », de Geschiedenis leert ons, dat die eeuwen de toekomst in zich droegen en haar voorbereidden. Die toekomst, het groot- ste deel van wat de moderne tijden aan schoonheid en groot- heid hebben voortgebracht, ontkiemt in de Middeleeuwen. Wat de poëzie in ’t bijzonder betreft, mocht Schlegel getuigen dat de periode der kruistochten, met de zeden, gewoonten, gebruiken en liederen uit den tijd van ’t ridderwezen, evenals __de gezangen der minstreels en troubadours, als ’t ware de
algemeene Lente inluidde bij al de naties van het Westen (2). — Om het wezen van deze ridderpoëzie beter te begrijpen, is het noodzakelijk een blik te werpen op de politieke toestanden hier te lande. |
In staatkundig opzicht, vormden de staten die vroeger deel hadden uitgemaakt van het Hertogdom Lotharingen, op den
(1) Dr. J. vaN Mrerzo, in Versl. en Meded. Kon. Vl. Acad., Nov. 1926, blz. 819-824.
(2) SonmEeEL, Histoire de la littérature ancienne et moderne (traduc- tion W. Duckett), Louvain, 1829, pp. 231-242. Vgl. A. Bossert, La littérature allemande au Moyen-Age, Paris, 18823, blz. 241 : « La poésie des minnesinger, surtout la poésie lyrique, représente la véritable jeunesse de la littérature allemande. »
EN, En
rechter oever van de Schelde, een leen van het Duitsche Keizerrijk. Vandaar dat, in de X® en de XI® eeuw door de Duitsche kultuur een diepe stempel op onze beschaving ge- slagen werd : invloed die naderhand nog algemeener werd toen hij, door tusschenkomst van Duitsche Bisschoppen, in Veldeke’s tijd en vooral later, nawerkte ook in deze streken, bijzonder door tusschenkomst der Luiksche bisschoppen die in den dienst stonden van den Keizer. Hoe spreken ons uit de geschiedenis — naast den naam van Luik — de namen : Keulen, Mainz en Trier, drie beroemde aartsbisschopszetels, steden die brandpunten waren van cultureel leven ; en dichter nog bij onze gouw, lag Aken, waar de groote keizers met staatsie werden gekroond. Daar, rond die centra van macht, weelde en handel, schaarden zich talrijke kloosters, vanwaar de beschaving alom uitstraalde, ten tijde der machtige keizers Otto I, Hendrik IV, Frederik Barbarossa. Op cultureel gebied gingen dan ook Rijnland, met de Maasvallei alsmede Läm- burg en ‘t graafschap Loon, Vlaanderen en ’t meer Oostelijke Duitschland vooraf.
Edoch, stilaan verslapte de macht der Duitsche Keizers, hunne suzereiniteit over onze vorstendommen verzwakte met het gevolg dat ook de betrekkingen tusschen deze oorden en het Duitsche Rijk minder druk werden. Misschien is de oor- zaak daarvan, voor de Maas- en Demervallei, te vinden in het feit dat Loon te dien tijde een vazalstaat was van Luik. En Luik, door zijn taal en zijn gemeenschappelijke belangen met Kamerrijk, meer dan met Vlaanderen, bleef niet van de Fransche beschaving verstooten.
Anderzijds leert ons de geschiedenis dat sedert de X1I° eeuw» handel en nijverheid van lieverlede heropbloeiden in Vlaan- deren, toenmaals een Fransch leen, zich uitstrekkend tusschen de Noordzee en de Schelde, tusschen Engeland en Frankrijk. Vlaanderen lag vooralsnog buiten de economische wereld gevormd door de valleien van Maas en Rijn en voelde zich, — vóór ’t graafschap Loon, — tot de Fransche beschaving aangetrokken : het hof der graven stond steeds in het drukste verkeer met Frankrijk waar zij meest hun opvoeding ont- vingen ende gewonnen werden voor ’t bevorderen der Ro- maansche cultuur. Mogelijk deed zich echter deze overheer- sching « de la civilisation frangaise » ook op de edelen van Loon gevoelen, en…. was zij mede-oorzaak van Veldeke’s geestdrift voor den Franschen «Roman d’Eneas» door hem, in zijn Zneîïde, vertaald !
— U —
Zegt ten andere Prof. Kalff niet, sprekende o. m. over Veldeke’s geboortestreek : « Uit staatkundig oogpunt gezien, behoorden verreweg de meeste dezer lage landen tot Duitsch- land, hunne ligging in Europa maakte ze tot een schakel tusschen Germaansche en Romaansche landen. Dat de be- woners dezer landen tusschen Duitschers en Franschen in woonden ; dat, in de Zuidelijke Nederlanden, het Dietsch onmiddellijk paalde aan het Fransch was oorzaak dat de Fransche taal en letterkunde te onzent gemakkelijk ingang konden vinden » (1). Kortom, en heel eenvoudig : Loon en Luik lagen tusschen Frankrijk en Duitschland ; hier in het tweetalig prinsbisdom en graafschap, ontmoetten elkander de twee beschavingen.
Niet alleen de godsdienst en de staatkundige verhouding tusschen deze en de omliggende gouwen hadden een over- wegenden invloed op de maatschappelijke evolutie, doch ook de tot dan toe ongekende bloei van het leenstelsel was van groot belang voor Veldeke’s tijdperk, zoowel in economisch als in intellectueel opzicht. Zonder een verband te willen leggen tusschen de dichtkunst van Hendrik van Veldeke en de maatschappelijke evolutie, mag toch hierop de aandacht worden gevestigd. De XIIe eeuw is immers gekenmerkt door de verovering van de persoonlijke vrijheid door het volk evenals door de opflakkering van den geest van onafhanke- lijkheid bij de edelen. Het is geen bloot toeval, dat de ridder- dichters vaak hun gevoelens van verknochtheid ten opzichte hunner uitverkorene vergelijken met het loyalisme van den leenman voor zijn Heer. Geen slaafsch bukken meer voor den ongenaakbaren dwingeland, doch dienen-in-vrijheid omdat zij gaarne dienden, zoo ’t Veldeke getuigt van zijn beantwoor- den aan ’t verlangen van den paltsgraaf van Thuringen, die hem vroeg de Eneïde te voltooien (2); geen vreesachtig kniebuigen maar, in idealen vrouwen-dienst, den wensch vervullen van de hoog-gewaardeerde gravinne, — zoo de Spalbeeksche hoveling bij ’t Loonsche hof, zijn St. Servaas- legende dichtte op aanvraag van gravin Agnes « van Loen, sijnre liever vrouwen, — dies hoem bat mit trouwen » (3).
(1) Karrr, op. cèt., I, blz. 32. Vgl. JONCKBLOET, op. cit, I, blz. 63, vlg., over den invloed van het klassicisme, o. m. tijdens de X° en XI° eeuwen, vooral in de beroemde klooster-en kathedraalscholen, b. v. onder de keizers uit het Saksische Huis.
(2) Enetde, verzen 13482 en 13490.
(3) St-Servatruslegende, I, 3237-3238.
— 2 —
De steden waren tot ontstaan gekomen en 't zou verkeerd zijn te denken dat de burgerij den handel en de nijverheid alleen ter plaatse tot een ongekenden bloei wisten te brengen, Deze bloei is hoofdzakelijk te danken aan den handel op den vreemde alwaar hij voortdurend werd uitgebreid, derwijze dat de horizon van de bevolking aanzienlijk werd verruimd, de wisselwerking onder de naties ontstond en een diep-ingrijpende invloed zijn stempel prentte op de onderscheidene literaturen.
Daarnevens, is ook de vrijwording van groote beteekenis voor den stand van de ministerialen, de ambtenaren van den graaf, stand waartoe ook de familie der van Veldeke'’s be- hoord heeft. Toen dezen de erfelijkheid over hun beneficia, hun leengoed veroverden en feudale heeren, leenheeren gingen genoemd worden, stonden zij veel meer onafhankelijk tegen- over hun suzerein : het volstond dat zij vastbepaalde diensten deden, om het overige van hun tijd rustig op hun landgoed te kunnen doorbrengen en hem b. v. onbezorgd aan de « edele conste », aan de poëzie te wijden. Buiten kijf, hebben ge- beurtenissen als deze een sterken indruk gemaakt op de gemoederen, en wij kunnen ze rangschikken onder wat Bru- netière heet : « les modificateurs des genres », n. Ì. : « les con- ditions géographiques ou climatologiques, les conditions so- ciales et les conditions historiques » (1).
Indien de vazallen te hunnent burchten oprichtten, was het belang van hun heer daardoor eenigszins gediend, maar door het zelfde feit betoonden zij hun macht, hunne onaf- hankelijkheid.
Het is echter niet betwistbaar dat, ten tijde van Hendrik van Veldeke, onze hooge ministerialen immer den militairen dienstplicht verschuldigd waren en dezen geregeld vervulden. De graven van Loon waren niet vrij te spreken van een zekere dosis oorlogszucht ; die lange reeks onafgebroken oorlogen, gevoerd door Lodewijk I, Geraard I en Lodewijk II, leveren daarvan een sprekend bewijs : een omstandigheid, die niet uit het oog mag worden verloren, wil men den ongewonen bijval van den ridderroman duidelijk begrijpen, Veldeke’s episch verhaal van Eneas’ roemrijke lotgevallen incluis (2).
Daarenboven was de scheiding in standen van de bevolking nooit zoo scherp afgelijnd als in deze periode. Volgens Dr. Lyna
(1) F. BRUNETIÈRE, L'Hvolution des genres dans Histoire de la Littérature, Paris, Hachette, 18° éd., s. a., p. 21. (2) Zie verder hfst. IV.
— 23 —
kan deze streng bepaalde scheiding beschouwd worden als de grondslag van de wording onzer gerechtshoven. Krachtens het groote, alom-toegepaste principe : oordeel van genooten, sloten de hoogere ministerialen zich gansch af van de overige bevolking. In ’t Loonsche, verschenen zij voor een hof samen- gesteld uit genooten, (« pares », d. i. mannen van hun maat- schappelijken stand), dat later het leenhof of de zaal van Curingen werd, voor al wat het zakelijk recht aanging. En wat hun geschillen betrof, gaven ze er de voorkeur aan, deze door de wapenen te regelen dan voor een territoriaal ge- rechtshof als dat van Vliermael te verschijnen, waarvan misschien wel een schepen, die niet hun genoot was, deel uitmaakte.
Het trekken dezer scheidingslijn tusschen de verschillende standen, verklaart ook eenigermate waarom de ridders, de edelen, ten tijde van Hendrik van Veldeke, hoofdzakelijk ridderpoëzie, ridderromans en hoofsche minneliederen schrij- ven, die vooral bestemd waren voor hunne genooten:.de ridders en jonkvrouwen, de ministerialen, de hovelingen van hun graven en hertogen. Ongetwijfeld, de vrome dichtkunst, zooals Veldeke’s St-Servatiuslegende, werd eveneens door de rid- ders beoefend, omdat de geestelijken, als de geleerden van die eeuw (dus ook de godsdienstige stof), hoog in aanzien stonden. Honderd jaar na Veldeke, tolk der edellieden, zal Jacob van Maerlant, de spreekbuis van het volk dier dagen, — b. v. in zijn « Wapene Martijn », — voor het volk handelen over de slechtheid van den adel en vooral over de eigen- schappen der verschillende standen; hij zal aan het volk verklaren, dat de « lijfeigenen », verre van afkomstig te zijn van Cain of van Cham, de vervloekten, afstammen van den edelen Abraham : « Van den edelen Abraham is, naar ik ver- nam, het lijfeigen volk afkomstig, dat steeds zich der eere toewijdde, en zich nooit bevlekte » (1).
Van maatschappelijk standpunt uit beschouwd, onderscheid- de men immers, wel afgebakend, drie groote standen, zoo t ons Willem van Hildegaertsberck leert in zijn gedicht Vander drierehande staet der werelt (2), n. 1. : de ridders, de geestelijken en ten slotte de lijfeigenen, in den onmiddellijken
(1) J. VAN MAERLANT, Martijnezangen, I, Wapene Martijn, 40° stro- phe, vv. 617-520.
(2) Van drierhande staet der werelt, door Pr. BLOMMAERT, te Gent uitgegeven in 1858, samen met nog vier andere gedichten door Willem van Hildegaertsberge.
— 4 —
dienst van den heer, daarom huislieden, ook wel grond- hoorigen genaamd : « Beyde papen ende heren, — entie huus- man daer bijneven ; — ende ele die wort syn staet bescreven » (vv. 56-58).
De voornaamste stand uit Veldeke’s tijd was onmiskenbaar die der ministerialen. Door de omstandigheid dat zij den grafelijken raad uitmaakten, dat aan hunne zorg de burchten van het land werden toevertrouwd, dat hunne aanzienlijke proven nadien de leengoederen werden, bekleedden zij-zelf den eersten rang in de maatschappij (1).
In deze gewesten : ‘t Loonsche, Vlaanderen en Brabant, later nog in de Noordelijke Nederlanden, hadden graven en baroenen, bisschoppen en edelen zich stilaan onafhankelijk gemaakt van het oppergezag des Keizers. Ook de ministerialen, de latere leenheeren, hadden in de X1Ie en XII® eeuwen allengs- kens hunne macht en hunne bezittingen uitgebreid, zoodat zij, op ’t einde der XII® eeuw, reeds in den adel plaats ge- nomen hadden, en menigeen, ter vergelding mogelijk van bewezen diensten, als ’n beneficium een leen ontving van zijn heer. « La richesse essentielle étant la terre, la rému- nération des services devient une question foncière », aldus Calmette (2), of zoo 't Van der Essen vaststelt : « Het ambt en het leengoed verbonden zijnde, wordt weldra het ambt zelf als een beneficium aangezien. « Honor » beduidt nu tegelijkertijd het ambt en het leengoed dat er aan verbonden is » (3).
Hendrik van Veldeke, hoveling der graven van Loon, was vermoedelijk ook een ministeriaal der abdij van St-Truiden. Hij was daarenboven waarschijnlijk voogd van de heerlijk- heid Veldeke. Het belang van deze functie is niet genoeg in het licht gesteld, De voogdijschap sloot in zich de hoogere rechtsbevoegdheid, een dezer regalia die immer met de uiterste spaarzaamheid werden begeven en uitsluitend aan hoogstaan- de personnages ten deel vielen. M. a. w. van Veldeke was een groot man, toen de abt van St-Truiden hem zijn heer- lijkheid schonk, — zooals verder aangetoond wordt. De oor-
(1) Zie verder hfst. TI.
(2) J. CALMETTE, La société féodale, Paris, SP 8, 21, 31.
(3) Prof. VAN DER ESSEN, Geschiedenis der Middeleeuwen, Leuven, 1919, blz. 141. Vgl. ook ROBERTSON, «State of Europe », London, 1831, note VIII, in Works, p. 393 : « Benefices acquired the name of fiefs or feuds » (bedoeld wordt : van af de X1I° eeuw). Cfr. ook Abdy's Lectures on Feudalieme, 1890, lect. V-VIL.
EN
sprong van zijn grootheid hoeven we niet ver te gaan zoeken : vermits hij hoveling was, bij ’t grafelijk huis in dienst, en dewijl de bescherming door de graven van Loon verleend aan de abdij immer voor deze van bijzonder belang was, komt de begeving van de heerlijkheid « Veldeke apud S'pal- beke » ons gansch natuurlijk voor. Meermaals gebeurde het, dat de abdij een leen wegschonk aan een ministeriaal van een machtigen gebuur. De bedoeling : de bescherming van den heer te bekomen, werd niet geheim gehouden. Dat was een kneep van de toenmalige staatkunde (1).
Daar, op zijn leen « Veldeke-bij-Spalbeek », zal een van Hendrik’s voorvaderen een slot gebouwd hebben; ’t kasteel toch werd vooral sedert de X° eeuw aanzien als het symbool van het adellijk leven, want de adel heeft dit voorrecht aan de Vorsten vroegtijdig afgedwongen en door dit feit zijn macht vergroot al kan dan ook van onze streken niet gezegd, wat J. Quicherat schreef van ’t Frankrijk der Carolingers : « qu'elle se hérisse de châteaux »!
Naast het eentonig alle-daagsche leven op den burcht, omringd door zijn mannen, die — ministerialen van lageren rang en eenvoudige lijfeigenen in de omgeving van den heer geroepen, — evenzeer door erfelijke banden aan het kasteel verbonden waren — hield de edelman zich haast uitsluitend met de jacht bezig (2) of, zoo hij strijdlustig van aard was, verdeelde hij zijn tijd tusschen de bijna onver- mijdelijke veeten met zijne naburen en de tornooien (3), die bij iedere gelegenheid aan de hoven der pronklievende vorsten gehouden werden. Ook zang en spel stonden er in aanzien, en konden de lange dagen korten, afwisseling brengen
(1) Zie hierover : J. LYNA, « De Wording van het Eigenshof in het Graafschap Loon », in Bijdragen tot de Geschiedenis, XIV® jrg. (1922- 1923), blz. 247 vlg.
(2) Met eenige woorden (eene inlassching van den vertaler) ken- schetst Veldeke de vreugde bij ’t jachtvermaak — misschien wel een persoonlijke herinnering, in zijn Eneite :
« mekel froude d wart
ende spel harde goet,
doe sî bestonken dat bloet,
dâ sî ’t vonden an dat gras » (n. 1. bij ’t aanschouwen van ’t zich-doodbloedend-geraakte hert), vv. 4648-4651. Vgl. ook vv. 4562 vgl, evenals vv. 4620 vlg.
(3) Herinneringen mogelijk aan wat hij hoorde over gevechten, in deze en andere landen. Cfr. ENerre, Menige voorbeelden onder vele, verzen 6413 vlg. ; 6770 vlg. ; 6883 vlg. ; 6943 vgl. ; 7021 vlg. ; 7141, 1354, 8866, 8951, 11815, 11937 en volgenden.
Vel 3.
tevens in de niet altijd even fijne poetsen der narren en dwergen, de goede stemming onderhouden na den disch, want — aldus Hendrik van Veldeke, — na den disch zijn de gasten vroolijk gezind : « doe dat eten was gedân, doe was doe menich Troiân, wale gemoet ende frô». (Eneïte, vv.899-901).
Wie zou echter het oordeel van prof. Kalff niet onder- schrijven (en zijn getuigenis is ook toepasselijk op onzen Loonschen Ridder van Veldeke), waar hij het heeft over de bepaling van middeleeuwsche poëzie en middeleeuwsche wer- kelijkheid, en in dezen van het toenmalig ridderwezen? « Maar wat weten wij van het middeleeuwsche ridderwezen in deze lage landen? » aldus Kalff. « Het spreekt vanzelf, dat wie zijn kennis in dezen vooral wil putten uit de ridder- romans, een verkeerden weg inslaat. Want ten eerste zijn de meeste Nederlandsche ridderromans vertaald uit het Fransch en mogen dus niet zonder meer gebruikt worden als bronnen voor de kennis van het Nederlandsch ridderwezen ; ten tweede moeten wij dat ridderwezen juist langs andere wegen dan die der poëzie leeren kennen, om de voorstelling der dichters te kunnen toetsen aan de uitkomsten der weten- schap. En hoe weinig is nog langs dien wetenschappelijken weg bereikt » (1).
ngetwijfeld, er het ridderwezen, gelijk de middeleeuwen, wordt hoog geroemd, verheerlijkt, en insgelijks bespot, ver- guisd : het ridderdom had zijn Parsifal, doch men parodieerde tevens zijn verval in... Don Quichot !
Laat die ridders dan ook mensch blijven, en betreuren wij dat het ridderdom, gelijk alle menschelijke instellingen, zijn tijdperk van verval gekend heeft, door de vijanden der « duistere middeleeuwen » uitgebaat in hun spot- en schimp- schriften ; in feuilletons en drakerige tooneelspelen als « décor » aangewend rond het beweeg van roofridders en vrijbuiters, vooral echter uit de Zuider-landen ; wel weten wij dat wanneer onze Spalbeeksche ridder-dichter mogelijk aan de hoven van Loon, Kleef, Mainz en Thûringen zijne liederen zong, de ridders, zijne standgenooten nog de fiere leus : « Ik dien », in hun wapen voerden. Zij dienden hunnen God en Diens Kerk, want, naar ’t woord van Sainte-Palay : « La chevalerie he regardée comme une ordination, un gacerdooe », en
‚ Pinfluence de I'Église devient si dominante, qu'on a pu
(1) Prof. G.Karrr, Inleiding tot de studie der Literatuurgeschiedenis, Haarlem, 1914, blz. 252.
— 27 —
appeler la chevalerie un sacrement », aldus Calmette (1). Zij dienden hunnen Keizer en hunnen graaf, hunne gravin : een bede van hunnentwege wordt hun een gebod, en van Veldeke zal zijn Sint-Servaas dichten :
Doer ghenade ende doer mynne Des hoem ouch bat die Gravynne Van Loen, die edel Agnes ;
(Boek II, v. 2925-2927.)
zij dienden de Vrouw « sô gût und sô schône », nadat de Kerk den beslissenden strijd zegevierend had uitgevochten en der mannen zelfzuchtige zinnelijkheid had helpen overwinnen :
Man sol die vrouwen dienen ende den So man allerbeste kan (oordeelt van Veldeke).
En de verklaring van dien idealen vrouwen-dienst?… De minne was hun nog een bron van alle deugd :
Car ma dame est tant douche a regarder Que mauvestés ne pourroit demorer, En cuer d'ome qui la voie... (2),
zong de Provengaalsche Adam de la Halle, terwijl van Veldeke nog beslister sprak :
Von manne kumet une allez guot, Diu minne machet reinen muot, Was solte ich sunder minne dan?
(W., 21; P., 21; M. F., 62) (3).
Hendrik van Veldeke kon de Minne nog aanzien als de bron van alle goed die het hart veredelt, omdat hier te lande, in de XIIe eeuw, het tijdvak van verval dat met zijn nasleep
(1) SAINTE PALAY (DE LA CURNE), Mémoires sur l'ancienne Che- valerie, Paris, 1759-1781, t. I, p. 119 ; CALMETTE, op. cit, p. 15.
(2) « Want mijne Vrouw is zoo zoet om te aanschouwen, — dat geen verdorvenheid zou kunnen blijven — in ’t hart van den man die haar ziet. » (Adam de la Halle, provengaalsch minnezanger.)
(3) GLORIANT, in het Abelspel van den hertoghe van Bruuswijc, zegt van de minne :
« O minne, du best een edel cruut Du best dat aldersoetse fruut Dat God op eerde nie wassen dede »
(vv. 601-603.) Zie verder, hfst. V.
— 28 —
van zedenbederf den roem van ’t ridderdom kwam bezoedelen, nog niet ingeluid was. Veldeke’s eeuw kende nog de ridders beschermers van vrouwen, kinders en grijsaards ; zij huldigde nog de « Mannen van hun woord », voor wie hun woord van eer iets heiligs was ; zij roemde de gastvrijheid ; zij vereerde de hoofschheid, de wellevendheid, de beleefdheid tot zelfs in het tornooi, op het slagveld, zoodat Buckle mocht ver- klaren « chevalry was to manners what feudalism was to politics » (1); kortom, zij leerde aan de nageslachten de ridderlijkheid, en wat prof. Rambaud noemt : « le sentiment du point d'honneur inconnu aux peuples de l'antiquité clas- sique ».
Laat dan, langs straten en wegen, door bosschen en vlakten, gewapende ridderlijke gezellen rondtrekken, dorstig naar roem en avonturen, wel eens op voet van oorlog onder elkaar of tegen hun Graaf ; laat ze krakeelen, somtijds ruw zijn, en, evenals onze overbeschaafde hyper-modernen, « homo homini lupus », — dit belet nochtans niet dat, aan het einde der XIIe eeuw, Veldeke’s leerling en navolger in Duitschland, met name Hartmann von Aue, de ridders van Henegouwen, Brabant en Haspengouw prijst, als hij voortreffelijke ridders wil noemen (2) net zooals die Koning, in Spanje, den lovenden
(1) H. Tu. Buokro, Introduction to the History of Civilization èn England, London, 1904 (new ed.), p. 361. (2) Alzoo dichtte Hartmann von Aue ; e Ich entwart nie mît gedanke, ein Beier noch ein Franke, swehl ritter ze Henegöu, ze Brabant und ze Haspengöu ze orse ie aller beste gesaz, gô kan ichz mit gedanken laz. » (In Gregor, vv. 1401-1406).
Ook de Middelhoogduitsche minnezanger Neidhart von Reuenthal, die kort na Veldeke's dood aan het Beiersche en Oostenrijksche hof leefde, gewaagt van edellieden die aldaar Vlaamsche uitdrukkingen bezigden om zich den schijn van voornaamheid te geven : zoo hoog stonden onze edelen en hun taal aangeschreven aan die machtige hoven. En Scherer getuigt, in zijn Gesch. d. d. Lit. dat « Die Ritter vom Niederheim und aus den belgischen Landschaften galten für die feinsten in Deutschland, so sehr, dazs bis nach Oesterreich hín die Leute, die sich einen vornehmen Anstrich geben wollten, vlämische phrasen in ihre Rede mischten. » (SCHERER, Geschichte der Deutsche Literatur, 1885%, S. 146).
Hoe Hendrik wan Veldeke zijne helden en hunne « hoofsche » ma- nieren typeert, — hij de ridderdichter uit het Loonsche, een dezer voortreffelijke edelen door Hartmann von Aue hooggewaardeerd,
— 29 —
titel « Flamengo » vindt, als benaming voor al wat edel was en lief, dat hem herinnerde aan al die schoonheid, al die pracht, al die ridderlijkheid die hem in Vlaanderen getroffen hadden !
Voor de XIIIe eeuw is ’t mogelijk fantastisch, voor Vel- deke’s tijd echter nog niet heelemaal, te verhalen van aan- minnige edelvrouwen gedost in satijn en fluweel en gevolgd door sierlijke pages die, de knie gebogen, de bevelen afwachten hunner meesteressen ; naar ’t voorbeeld der Fransche che- valerie te verhalen van steigerende rossen, geharnaste en gehelmde strijders, van ’t schallen der bazuinen en ’t jubelen der toeschouwers, wen de Ridders de kleuren der geliefde Vrouwe verdedigen op het tornooiveld, waarrond de duizend- voudige weelde van bonte tenten, waaiende vlaggen en wap- perende wimpels ; te verhalen van trotsche herauten, dappere kampvechters, luid-juichende edelen en hoogvoorname dames; te verhalen ook van gevierde Minstreels den lof bezingend der edele gastvrouw, den roem verkondigend van den koenen gastheer (1) of de heldendaden prijzend der voorouders, de «Gesta» der Franken : de avonturen van Karel den Groote, en Roeland, der ridders vande Ronde Tafel en van den Heiligen Graal, van de Kruistochten en van den tijd der Trojanen en Romeinen.
Tijdens Veldeke’s leven kon nog gezongen worden over Eneas’ tweegevechten, Dido’s jacht-vertoon, Lavinia's liefdes- verklaringen, juist alsof dit alles in de £1I° eeuw geschiedde ; en wanneer onze Spalbeeksche ridder-dichter de bruiloft van Eneas en Lavinia beschrijft, dan moet hij getuigen dat niet- temin het « hotîte » te Mainz in 1184, waarop hij tegenwoordig was geweest, het prachtig feest van den romeinschen koning Latinus overtrof !
zien wij in zijne Eneite, b. v. over de « minnelike » ontvangst van afgezanten, in verzen 455, 604, 732, 6104, 6117, 6125 en 6126. Zelfs de vrees-aanjagende Sibylla antwoordt Eneas « vele minnelîke » (v. 2747). Ascanius gaat « getogenlîke » tot Dido (v. 827) en « getogen- like » vraagt Eneas aan Pallas naar den koning (v. 6111). « Der hêre Drances », heet hij « ein harde wale gehovet man » (v. 8529) die den koning « vele getogenlfke » antwoordt (v. 8531). Eneas zelf trouwens is « der wale getogene Troiân », die zich verheugt « doe der konine frô was » (vv. 6231-6232). En heet Veldeke ’t spotten niet onridderlijk ? « He was ein spotâre, — swie er ein ridder wâre... » (vv. 10945-10946).
(1) Over de gastvrijheid en de bezorgdheid van den gastheer voor zijn genoodigden, ef. b. v. Veldekes Enelde, verzen 536, 1306, 6204, 6261, 13148, evenals 894.
— 30 —
Aan praal, luide viering en schitterend pronken werd de tijd gewijd dien oorlog, tornooi of avonturen niet onverbid- delijk opslorpten ; lezen en schrijven echter werd ternauwer- nood door den adel geleerd, en, als vrijwel algemeen, mag de uitspraak uit Hallam’s geschiedenis der Europeesche litera- tuur gelden : « Vóór het einde der XI° eeuw was het zeldzaam in Frankrijk leeken te vinden die lezen en schrijven konden ». (1) Met het oog zelfs op de XIII® eeuw, zegt Dr. Kalff : « Werden er dus wel lezers gevonden, groot kan hun aantal niet geweest zijn. Waren er veel edelen die vlot konden lezen? Het mag betwijfeld worden » (2).
Wat de oorden der Demer-vallei betreft, is deze toestand eenigszins te begrijpen. Alleen de groote kloosters hadden scholen, zooals St-Truiden en Tongeren, evenals Maastricht aan gindsche zijde, Het is zeer te betwijfelen dat de St-Quin- tinusschool te Hasselt, te dien tijde reeds bestond. Daaren- boven beoogden deze instellingen in hoofdzaak de vorming van geestelijken.
Wel zal het er gedurende Veldeke'’s jeugd zoo erg niet meer hebben uitgezien als onder de regeering van Karel den Groote, «puisque (alors), au sein de la dynastie elle-même, on trouve des personnages qui ne savent pas lire, et que éducation littéraire de Charlemagne fut négligée jusqu'au point qu'il n'’apprit jamais à écrire de sa vie» (3),—al verklaart Veldeke’s volgeling, dichter Wolfram von Eschenbach niettemin van zich-zelf, dat hij « noch lezen noch schrijven kon »!
In alle geval lazen de edelen meestal niet zelf, maar lieten zich den tijd korten door ’t aanhooren van de ridderromans die de van kasteel tot kasteel trekkende minstreels, met of
(1) H. HALrLAM, Histoire de la Littérature de L'Europe (traduction A. Borghers), Paris, 1839, I, pp. 51-53. Vgl. H. Kurz, Geschichte der Deutsche Literatur, Leipzig, 18767, I, S. 28.
(2) Prof. Karrr, Geschied., I, blz. 278. Vlg. BUOKLE, op. cit. ; waar hij, pp. 166-167, schrijft : « In all these countries (o. m. van Europa) letters were long unknown... Among a perfectly unlettered people, the singers of ballads are the sole depositaries of those historical facts SE en the fame, and often the property of their chieftains principally
epend. »
(3) G. Kurrr, Les origines de la civilisation moderne, Bruxelles, 19126, +. II, p. 203 ; vlg. HALLAM, op. cit, p. 53. Vgl. DE SMET, H istosre de Belgique, t. I, p. 171 : « Au XI® siècle lignorance parmi nous était à son comble ; les peuples n'avaient pas la moindre teinture d’instruc- tion publique au mov Are (VIII XVIe siècles) ; evenals t. XX XTII, pp. 77-78 : « Le seigneur déclarait ne savoir pas écrire, vu sa qualité de gentilhomme…. »
— 31 —
zonder geschreven tekst, bij gedeelten, gewoonlijk 2000 à 3000 verzen per keer, voordroegen. Doch niet alleen kortten deze troubadours den tijd der ridderlijke toehoorders : hunne zangen, naar ’t getuigenis van Prof. J.Calmette, « contribuaient à entretenir la flamme d'un lyrisme moralisateur, à assouplir la langue en formation ; elles travaillaient à rendre le présent plus supportable et l'avenir meilleur » (1).
Heel anders was het gesteld met den tweeden grooten stand. Alle geschiedschrijvers zijn het eens om te verklaren, dat de geestelijkheid uit de Middeleeuwen niet alleen bewaarde « aux heures les plus sombres, le culte des principes isolés, avec Yespoir de les faire triompher dans des jours meilleurs » (2), maar dat zij ook de draagster was der wetenschappelijke en kunstbeschaving, en de kloosters en kapittelscholen brand- punten van literaire werkzaamheid (3). En in stoffelijk en geestelijk opzicht, waren de kloosterlingen de bevolking tot steun, zoowel den derden stand — de huislieden of de land- bouwers— als de ridders uit den eersten « Van der drierehande staet», onder andere door de scholen, waarin de letterkundige alsmede de wiskundige vakken werden onderwezen, bijvoor- beeld, in onze streken, in die centra van geestelijk leven als daar zijn Luik, Kamerijk, Utrecht, Egmont, Maastricht en Keulen, evenals in die rijke kloosters, o. m. te Sint-Truiden, Lobbes, Stavelot, Saint-Hubert, Gembloers en andere (4), met daarrond bijv. de kapittelscholen van Luik (zeven in aantal),die van O. L. V.-kerk te Tongeren, van St-Servaas’, te Maastricht, van St-Odulfus te Loon, enz…
Te recht mocht Schlegel in zijn Geschiedenis der oude en moderne Literatuur vermelden, dat, dank zij die klooster- gemeenten, zoo methodisch geordend, die de gronden ont- gonnen, de volkeren beschaafden, de Staten verstevigden en
(1) J. CALMETTE, op. cit, p. 154: « Les troubadours de ce pays ont appris à une noblesse occupée de guerres et de pillages le raffine- Ee amour chevaleresque et le culte de la femme. » Id., id, p. 153.
(2) G. Kurrg, op. oit., IT, p. 105.
(3) Reeds voor de V® eeuw, zegt Buckle: «The clergy.…. were respec- ted as men of vast learning, because they alone were able to read and write », p. 346. Vgl. J. CALMETTE : « Monastères sont des centres d’enseignement, de culture intellectuelle », op. cèt., p. 157.
(4) Cfr. BASTIAANSE, op. cit, I, blz. 63. Vgl. G. Kurrr, op. cit, LI, pp. 149, 160, suiv., evenals J. CALMETTE, op. cit, p. 157 ; STALLAERT et VAN DER HAEGEN, De V'instruction publique au Moyen Age, t. XXIII, Pp. 7, 24 et suiv.
— 32 —
voortdurend de wetenschap uitbreidden, het moderne Europa hooger klom nadien dan Byzantië dat op gebied van ver- worven kennis nochtans veel hooger stond, en hooger ook dan Arabië, dat echter veel machtiger was en veel rijker dan Europa. En Meiners, die de Middeleeuwen wel wat al te streng beoordeelde, doch die periode met doorzicht en ruimen blik doorschouwde, verklaart, in zijn Vergleichung der Sitten, dat op geen enkel tijdstip, misschien, het episcopaat aan Duitsch- land geleerder en deugdzamer mannen schonk dan gedurende de laatste helft der tiende eeuw en in het begin der elfde (1), meening die ook, voor Frankrijk, wordt bijgetreden door Eichhorn in zijn Algemeine Geschichte der Cultur und Li- teratur (2), en door Kurth in zijn Origines de Ja civilisation moderne ». |
De Engelsche criticus Hallam, die steeds gewaagt van «dark ages », die duistere middeleeuwen, geeft niettemin toe dat « met de twaalfde eeuw een nieuw hoofdstuk begint in de letterkundige geschiedenis van Europa, daar wij van af dit tijdperk een schare marnen begroetten, die uitmuntten in verschillende wetenschappen», en hij noemt dit het begin eener belangwekkende periode. Hetzelfde treft ons bij Buckle die, van protestantsch standpunt uit, het nogal graag heeft over « incredible ignorance of Midlle ages », doch niettemin vaststellen moet dat in de XII°® eeuw er geen van de thans als beschaafd erkende naties bestond, over dewelke het licht niet was beginnen te rijzen.
Dit licht dóórzonde de periode die Van der Essen « de glorierijkste periode der Middeleeuwen » noemt. stralend uit de kloosters en kapittelscholen, waar niet alleen de wereld- beroemde kunstschatten der oudheid werden bewaard : zoowel de klassieken Homeros, Virgilius, Ovidius, Horatius, Cicero en Seneca — als de meesterwerken van Praxiteles en Phidias — doch van waar tevens de bouwmeesters, beeldhouwers en schilders, Veldeke’s tijdgenooten, uitgingen over den lande, om de vele heiligdommen, abdijen en kloostergemeenten op te richten en te versieren. Uit die XIIe eeuw, waarin van Vel- deke leefde, dagteekenen immers de nooit-volprezen Gothische kathedralen, waarvan de stijl ons van 1150 af, uit Frankrijk
(1) Merwenrs, Vergleichung der Sitten, B. II, S. 284. Vgl. A. Ermaup, Dae Mittelalter und seine Kirchliche Entwickelung, Munich, 1903.
(2) EiCHHORN, Algemeine Geschichte der Kultur und Literatur, B. IL, SS. 335-308.
overgebracht werd (1), en die, naar ’t woord van den grooten Franschen geschiedschrijver Henri Martin, aan het godsdien- stig idee geschonken heeft : « la forme la plus solennelle qu'elle ait jamais revêtue depuis l'origine des cultes » (2).
De kunstbeoefening bleef echter niet langer meer het eigen- dom van de geestelijkheid, « la civilisation toute entière, sortant des cloîtres qui étaient ses refuges, descendait parmi les hommes et les conquérait succesivement » (3). De gothische kathedralen werden opgebouwd door honderden : kunstenaars en werkgezellen, bouwkundigen, beeldhouwers en houtbe- werkers. In de toegankelijker geworden burchten, bij de uitbreiding van het verkeer, vooral in deze tusschenlanden die een heerweg sloegen tusschen Frankrijk en Duitschland, langs de wijde beêvaartwegen waar zoovele vrome pelgrims voorbijtrokken naar de graven van St-Servaas, St-Lambertus, St-Trudo, St-Hubertus, bij de kerken en adbijen van Maas- tricht, Tongeren, Luik, St-Truiden en St-Hubert,op de kerk- missen t’ allenkanten, vonden reeds vroeger de dichters een gretig gehoor voor hunne lederen over Gods heiligen en Christus’ machtige strijders: Karel en Roeland en Olivier en zoo vele anderen wier relikwieën godvruchtig werden be- waard en vereerd (4).
Zoo ontstond stilaan, naast de geestelijke, ook een wereld- lijke kunst, voornamelijk onder den invloed van Frankrijk en Engeland, vooral van Frankrijk echter, waar, eenigen tijd na de eerste bloeiperiode der Provencgaalsche hoofsche kunst, de « Chansons de Geste » in de mode kwamen, en nu juist Germaansche helden bezongen en huldigden, gelijk Karel den Groote, die van Germaanschen oorsprong was. Die zangen immers werden geïnspireerd door Germaansche roemrijke gebeurtenissen, zij zijn van Germaansche stof zooals blijkt uit de standaardwerken van Léon Gautier, bijzonder uit zijne klas- gieke uitgaven van La chanson de Roland, en zijne Epopées
(1) Cfr. J. F. Corrs, La Filkation généalogique de toutes lee dooles gothiques, t. I, École-mère gothique, Paris, 1882%, pp. 6 suiv.
(2) Aangehaald door ROGER PrEyre, Histoire générale des Beaux- Arts, p. 317. Vgl. J. CALMEITE, op. cît., pp: 213-214 : « Et l'art des cathédrales rivalise avec ce que le génie grec a laissé de plus pur et de plus harmonieux. »
Rl Pedi Origines, t. TI, p. 162. Vgl. ScHLRGEL, op. cit, pp. 238 et suiv.
(4) Cfr. J. VAN MIERLO, in Versl. en Med. Kon. Vl. Acad., No- vember, 1926, blz. 824.
EE
frangaises ; oordeel dat ook door Gaston Paris, in zijn Histoire poétique de Charlemagne wordt bijgetreden. Werd reeds ten tijde van Hendrik van Veldeke de altoos toenemende zucht naar avonturen en heldendaden niet gevoed door de aller- roemrijkste kruistochten, waaraan talrijke ridders uit het graafschap Loon in de XII® eeuw deelnamen, o. m. bij de tweede, genoemd « Kruisvaart der Koningen » (1146-1148), nadat St-Bernardus ook te Luik en te Maastricht menig- vuldige wonderen verricht had terwijl hij aldaar den kruis- tocht predikte (1) ! Zoo togen ook later nog vele edelen uit het Loonsche naar 't Heilig Land, in 1188, nadat de pauselijke legaat, Kardinaal Henri, Bisschop van Albano, de Christenen ter verdediging van ’t Graf Christi opgeroepen had (2). Aanvaardde zelfs Graaf Geraard van Loon niet het Kruis en spoedde ook hij zich niet naar Palestina alwaar hij stierf : zijn lijk werd naar Herckenrode, niet ver van Veldeke-Spal- beek, teruggebracht (3) !
Trouwens, gedurende ’t leven van onzen Loonschen epischen zanger, trokken ook graven uit andere oorden naar ’t Heilig Land, o.a. de graven van Vlaanderen: Robert I, in den eersten Kruistocht ; Diederik van den Elzas in 1138, 1148, 1157 en 1163, evenals diens zoon Philips, in 1177 en 1190.
Niet te verwonderen dus dat, rond 1200, de Chansons de Roland, een frankische roman, (een der vele « Karel-sagen »), met als helden Karel den Groote en zijn rumoerige vazallen — reeds in het Middel-Nederlandsch wordt nagevolgd, zooals nadien, omstreeks 1250, Carel ende Elegast, een ander Fran- kische roman — waarschijnlijk zelfs een oorspronkelijk Ne- derlandsch werk (4).
(1) Paérol. lat, IE, 185, blz. 393.
(2) Daris, Histoire du Diocèse et de la Principauté de Liége, depuis leur origine jusqu'au XIIT® siècle, Liége, 1890, I, pp. 538-540, 60 et suiv.
(3) Daris, Histovre de la bonne ville, de V'église et des Comtes de Looz, Liége, 1864-1865, 1, p. 432. Zie verder hfst. IV.
(4) Zie ook BORMANs, in zijn Chanson de Roncevaux (Bruxelles, 1864), over de Limburgsche fragmenten, betreffende Roeland's dood, — evenals de critiek hierop van Gaston Paris, in diens Histoire poétique de Charlemagne.
Over den oorsprong der « barbara et antiquissima carmina », vgl. Pro RAJNA, Origund dell’epopea francese, Florence, 1884 (cap. XI, XII), evenals WILLEMS en HOFFMANN, Elnonensia, Gent, 1845, en P. MEYER, rte eur Dépopée frangaise, Bibliothèque de l’École des Chartes,
7.
— 35 —
Had reeds vroeger Chréstien de Troyes — de vader van het genre, die aan het hof van den Vlaamschen Graaf Philips van den Elzas vertoefde — niet «Lancelot » ofte « le Conte de la Charette » geschreven, een der vele Britsche romans of Arthur-sagen, uit de jaren 1175-1190, (Veldeke’s tijd), ter verheerlijking van Koning Arthur en zijn ridders van de Ronde Tafel, de ridders van den Heiligen Graal : Parsival den zuivere, Lanseloet den verwijfde, Tristan den galante, Merlijn den toovenaar…
In die periode ook, werd de Klassieke Roman, onder het patronaat van het Anglo-Normandische hof gedicht, en zocht men, behalve in de Frankische overleveringen en in de Britsche sagen, (bronnen der «Chansons de Geste»en « Arthur-romans»), naar een meer uitheemschen inhoud voor den Ridderroman, zoo ’t Benoit de Sainte-More deed voor zijn « Roman de Troie » en zoo ’tde onbekende dichter deed voor zijn « Roman d’Eneas», het « welsken boeken » waarvan Hendrik van Veldeke, in verzen 13514-13515, van zijn Eneïde getuigde :
dat Heinrîch gemaket hât dar ná.
Indien de éérste Renaissance, (bescheiden werk van stille monniken die de klassieken bewaard, afgeschreven en stil-aan in hooger aanzien doen stijgen hadden), ongetwijfeld een niet te onderschatten, al zij het ook latenten, langzaam- en onrechtstreeks-werkenden invloed uitgeoefend heeft op den klassieken roman, zoo deed deze Romaansche invloed zich te onzent insgelijks gelden en, van hier uit, (als over een brug geslagen tusschen Franken en Germanen), in Duitschland, in de landen aan genen kant van den Rijn.
Dat men van af de XII® eeuw (Veldeke's eeuw) den blik naar Troye, naar Rome, en naar ’t verre Oosten wendde, is des te begrijpelijker voor wie bedenkt, dat het tijdperk der Kruistochten reeds was aangebroken, toen in Frankrijk de zoo algemeen nagevolgde Roman-literatuur der « Chanson de Geste » ontstond. Met de Kruistochten werden de sedert Karel den Groote bestaande betrekkingen met Byzantium veelvuldiger tusschen West-Europa en het Oosten, dus ook de kennismaking met de kostbaarheden van het Oosten, vooral met den glans van het Byzantijnsche Hof.
Vandaar eveneens de belangstelling, ook in Limburg, Loon, Brabant en Vlaanderen, voor de Oostersche-en Kruisvaarten- romans waarin, naast historische persoonlijkheden uit deze streken, als Godfried van Bouillon en de Limburgsche Hertog
— 36 —
Hendrik IV (opperbevelhebber van het Christenleger tijdens den Kruistocht van Frederik II), ook voorkomen de legende van den Zwaanridder, de historie van Floris en Blancefloer, de sage van Valentijn en Nameloos, de roman van Limborch, evenals andere even fijne, heerlijke, soms verheven liefde- geschiedenissen. Meent zelfs Dr. Kalff niet dat Floris en Blancefloer misschien in een oorspronkelijk zuiver Limburgsch dialect werd verwerkt, en werd De Roman der Kinderen van Lvmborch niet aan een Limburgschen Hertog opgedragen ?% Een bewijs wellicht dat ook de hooge adel,lijk deze Hertog, in de gouwen zoowel aan deze als aan gene zijde van de Maas de letterkunde beschermde; een bewijs voorzeker van den Oosterschen invloed te onzent. En al beweert Schlegel ook, dat de invloed der Oostersche poëzie op Europa, ten tijde en door toedoen der kruistochten, op verre na niet zoo over- wegend is geweest als gewoonlijk wordt betoogd, vermits, z.i., die invloed, grootendeels, of zelfs geheel en gansch terug- keert tot de Perzen en niet tot de Arabieren, toch geeft hij ook toe dat, gedurende deze algemeene volkeren-uitwij- king ter Kruisvaarten, de betrekkingen onder de naties van het Westen van meer directen aard werden, en anderzijds, dat het gevolg door die groote gebeurtenis der Kruistochten, zooals zij opgevat werden, teweeggebracht, n. 1. het opwekken der verbeelding, — steeds het bijzonderste doel bleef.
Ook Dr. Jonckbloet getuigt in het Ie deel zijner Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde : « En zoo ligt het wel in den aard der zaak, dat de algemeene gemoedsstemming in de elfde eeuw, die zich eindelijk lucht gaf in den tocht der be- vrijding van het graf des Verlossers, en dat die Kruistocht zelf, waarin de zelfde Mohammedanen werden bevochten, met welke men zoo menigen bloedigen strijd had gestreden, een nieuw leven, een verhoogde populariteit gaven aan de ge- dichten, die den strijd tegen de ongeloovigen schilderden » (1).
(1) Dr. JONOKBLOET, op. cit, I, blz. 90. Vlg. ook blz. 102 en vlg, over den invloed van den eersten kruistocht, als groote gemeenschap- pelijke onderneming, e. n. nopens de opheffing van den toestand van afzondering waarin rei tot op het einde der XII®eeuw verkeerde. Vgl. H. Kurz, op. cét., I,S. 24 : «Die Nachklänge der römischen Civi- lisation und die vielfachen Berührungen mit den gebildeten, gelst- reichen Arabern... selbst die feindlichen Sarazenen blieben in dieser Rücksicht nicht ohne nachhaltigen Einflusz. » Cfr. ook Dr. J. Te WIN- KEL, Maerlants werken beschouwd als de spiegel der 13° eeuw, blz. 24-25, 128-130 ; VAN DER ESSEN, op. cit, blz. 168-169.
— 37 —
Te midden dezen geweldigen nieuwen wereldkamp, waarin Avond- en Morgenland, het Duitsche Keizerrijk en het oudere Byzantium, Christendom en Islam, in onafzienbare scharen op elkander aanrukten ; Paus en Legaten, Keizer en Koningen, Duitschers en Italianen, Franschen en Engelschen, Spanjaards en Skandinaviërs gemeenzaam zaken dreven ; geweldige strijd- periode gedurende dewelke de nationale grensscheidingen gedeeltelijk wegvielen « und der Orient den erstaunten Blicken der Abendländer sich öffnete » ; Venetianen en Genueezen met hunne vloten de Middellandsche Zee beheerschten, « aus dem weltlichen Rittertum heraus die groszen Ritterorden sich bildeten, in dieser wahrhaft groszen Zeit ist das höfische Leben in Europa zu zeiner vollem, bunten Prachtentfaltung herangeblâht » (1).
Niet te verwonderen dan ook, dat het oude epische volkg- gezang niet meer in overeenstemming was met den grondtoon der eeuw, waarin men, naar ’t oordeel van Dr. Jonckbloet, veeleer het oor wilde leenen aan meer luchtige vertellingen op losser trant, die den smaak van den dag huldigden door sierlijke beschrijvingen en in het licht stellen van die deugden of eigenschappen die meer en meer het ideaal der Germaansche deugden begonnen te vervangen. En waar Prof. Kalff vooruit- zet dat : « geen verschijnsel in deze eeuw zoo krachtigen invloed geoefend heeft op onze volkswording als de kruis- tochten », (thans zoumen gewagen van.….«l’appel de l’Orient»!), mogen wij het met hem opvallend vinden dat ons geen enkel lied of gedicht overgebleven is, dat eene herinnering bewaart aan de kruistochten, eene gebeurtenis die toch gewis de bewoners dezer landen, uit die periode, sterk moet ontroerd. hebben. « Zijn zulke liederen er niet geweest » ? vraag Kalff. « Het is mogelijk, doeh mij niet gebleken. »
Mogen wij nochtans met Ed. Engel niet eenigszins in Vel- deke’s Eneïde: een gedicht ‘van Ridderkamp en Ridderminne-, de uitdrukking, de cristallisatie haast roemen van het door de kruisvaarten en den ganschen tijdgeest geschapen ver- langen van de Duitsche dichterwereld (2)? Hoe zal immers die Duitsche dichterwereld — en met haar de elite aan dezen kant van den Rijn — hoe zal zij, de kijkgrage oogen door al die schittering schijn-verblind, de bakens verzet en nieuwe
(1) BAUMGARTNER, Geschichte der Weltlteratur, VI, Die Italienssche Literatur, Freiburg, 1911, S. 13.
(2) Epvarp ENaEz, Geschichte der Deutsche Literatur, Leipzig- Wein, 191977, I, S. 94.
Een
bronnen van bezieling ontdekt hebben, onder invloed van dien alles-beroerenden schok die de trage verbeelding der bewoners van deze stille oorden opwekte! Met Prof. Kalff roepen wij uit, wij bewoners van de meer Noorderlijk gelegen gewesten : « Welk een indruk moet het Zuiden, moeten die landen der zon met hun geheimzinnig achterland, hebben ge- maakt op de ruwe maar ontvankelijke gemoederen dezer zonen van het Noorden, die zich voor het eerst verplaatst zagen buiten de enge grenzen van hun gouw of graafschap » (1) ! Wat een wonderbare schittering, welke betoovering moet uit de Provengaalsche poëzie niet gestraald hebben over de bewoners van het Noorden : vorm en inhoud, alles zal hun een openbaring zijn, waar hen, aldoor de ridderlijke romancen en pastoralen, de elegieën en tragedies, —de opvatting, de levenservaring en wereldbeschouwing toespreken van de trou- badours uit Provence, «de bakermat der hoofsche lyriek. »
Edoch, « la conception ne se fit pas d'abord, comme on pouvait s'y attendre, par les provinces du centre. Elle se fit par l’Orient ; ce fut en Terre Sainte, à la croisade, que la Flandre et la Provence, la Lorraine et le Languedoc se ren- contrèêrent » (2). Zoo ook stelt Prof. Koch vast, in zijn Ge- schichte der Deutsche Lateratur, dat van af den tweeden kruis- tocht, de zeden van ’t Fransche ridderdom in Duitschland werden nagevolgd (3), terwijl Baumgartner de Provencaalsche ridderpoëzie uit dat tijdvak aanziet als een merkwaardig literatuur-verschijnsel dat met de kruistochten begint en tevens eindigt…. « sie ist überaus natürlich aus dem Rittertum und dem geselligen Leben der feudalen Ordnung hervorge- wachsen» (4). Dit is ten andere best te verklaren : naast den Ridder mocht de Zanger niet ontbreken : de ridder zelf, de koene kruisvaarder, de diepgeloovige zoowel als de op avon- turen beluste kruisridder gevoelde neiging tot de blij-jubelende
(1) Prof. KaLrr, Gesch, T, blz. 31. Vgl. R. KoENsa, Deutsche Litera- turgeschichte, Bielefeld u. Leipzig, 1879’, blz. 35 : « Eine neue Welt hatte sich den erstaunten Blicken der Deutschen eröffnet in dem wunderbaren, märchenhaften Morgenlande, und phantastisch ge- smückt drang die Kunde davon in die Heimat zurück. »
(2) L. LANSON, Hsstoirede la littérature frangatse, Paris, 1924, 18° 6d., pp. 88, 89. Vgl. J. BÉprer-P. HaAzaRD, Histoire de la littérature fran- gaise llustrée, I, Paris, 1923, p. 27. Vgl. R. KoENIG, op. cit, S. 35.
di pe re . Max KocH, Geschichte der Deutschen Literatur, Leipzig, | ‚S. 25.
(4) BAUMGARTNER, Die Ital. Lit. S. 13. Vlg. Dr. JONCKBLOET, op.
cit, I, blz. 103, vlg.
— 39 —
levensvreugd-in-zang, en de troubadour, de vinder, de ont- dekker van nieuwe melodieën, nieuwe versvormen en nieuwe rijmen, maar ook van nieuwe inspiratie, hij de meer ont- vankelijke, inniger-voelende, stouter-durvende menestreel moest de onversaagde, woordgetrouwe, zwakken-beschermen- de ridderlijke kruistochter wezen (1).
Zoo toog de eerste troubadour, Willem IX, hertog van Aquitanië, aan de spits van een leger van 300.000 christenen, in 1101, naar ’t wondere Palestina, evenals zijn tijdgenoot, de minstreel Cercamon, die den tweeden kruistocht mee- maakte. Trok ook, naderhand, die beroemde, diep-godsdienstige Pons de Capduelle, (een waarachtig edelman uit Belloy, ook een tijdgenoot van Veldeke), niet ter 3° kruisvaart in 1189, samen met den Keizer Frederik Barbarossa, Koning Philips- August en Richard Leeuwenhart ! Stierf deze minnezanger, Pons de Capduelle in ’t Heilig Land, een ander trouvère uit van Veldeke’s eeuw, met name Raimbaut de Vaqueiras gpoedde zich, in 1202, ter 4° kruisvaart ; ridder de Vaqueiras, naar ’t woord van Baumgartner : « ganz und gar ein Liebes- dichter » (2).
Laat dan de oorsprong der Oostersche fantasie, ook der Provengaalsche hoofsche kunst gezocht worden bij de Perzen, zoo 't Schlegel meent, of bij de Arabieren, gelijk Singer beweert, of nog bij de klassieken Ovidius en Tibullus, naar Voszler’s oordeel, de gelegenheid tot de kennismaking met het Oosten bood voorzeker de kruisvaart, cosmopolitische wissel- werking ter verbroedering van de volkeren uit Europa. En indien de trouwères uit het Noorden van Frankrijk wakker geschud werden door de troubadours uit Provence, hunne voorloopers, vooral na het huwelijk van Koning Lodewijk VII met Eleonora, kleindochter van den gevierden minstreel Willem, hertog van Aquitanië, zoo ook droegen verschillende omstandigheden bij tot het verspreiden van dezen invloed
(1) In het « oud-vlaemsche lied » Zangerloon, zingt de ridder- dichter van zich-zelf : « Dat ben ic ridder coenen, — Een ridder wel ghemeit », en in De gestorven geliefde ofte Het daghet in den oosten, doet de onbekende zanger door ’t « minnekijn » vragen : « Dats waer gsoudi mi voeren, — Stout ridder wel ghemeit (vroolijk)? » — aange- haald in Verwijs’ Bloemlezing uit Middelnederlandsche Dichters, 3° deel, blz. 132 en 134.
(2) BAUMGARTNER, Die Italien. Lit. (Welt. Lat., VI), S. 26. Vlg. verder hfst. V, « van Veldekes Minneliederen en hoofsche lyriek ». Ook in Duitschland togen dichter-ridders Hartmann von Aue en Friedrich von Hausen ter kruisvaart.
— 40 —
in deze landen, evenals bijv. ten tijde van H. van Veldeke, het huwelijk van Frederik Barbarossa met de erfgename van Bourgondië en Provence, zoowel als dit van diens tegen- strever, Hendrik den Leeuw met de Britsche koningsdochter Mathilde, het indringen van de vreemde kunst in de Duitsche gewesten vergemakkelijkte. Buiten de Kruistochten en de nauwe betrekkingen veler graven en hertogen uit deze oorden met het Fransche Hof, hield de invloed van het Oosten en vooral van Provence gewis ook verband met het feit dat, toen de Loonsche zanger hier dichtte, op het einde der XIIe eeuw, de Vlaamsche Graaf Philips van den Elzas den bekenden Franschen dichter Chrestien de Troyes aan zijn hof te gast had, terwijl Boudewijn VIII, zijn opvolger, tegelijk in Vlaan- deren en Henegouwen, zelf Provengaalsche liedjes zingt. Vindt ten andere Dr. Jonckbloet het niet even natuurlijk, dat, gelijk men het tooisel, de weelde, de maatschappelijke vormen van den nog bevoorrechten stand nabootste, men ook wilde deelen in de geestelijke genoegens, die de poëzie hen deed smaken ?.… Zoo ging het met de Vlaamsche,de Neder- landsche burgerij. Zij begon met navolging, dat is hier ver- taling (1). Wel is waar wordt het lied der minnezangers, zoowel aan deze als aan gene zijde van den Rijn, in den beginne navolg-kunst, aldra echt Germaansch, dank zij des dichters liefde voor natuur en waarheid, vooral na den kruistocht van Frederik Barbarossa, wanneer de lyriek wint aan vergeeg- telijking in zooverre zij ons nu nog treft door den verzorgden vorm, zoowel als door die natuurlijke frischheid en kracht
harer opbloeiïng.
En waar Dr. Kalff wijst op het gemakkelijk indringen van Fransche taal en literatuur tn de Zuidelsyke Nederlanden, waar het Dietsch onmiddellijk paalde aan het Fransch, verwondert het ons niet, dat die invloed van Frankrijk op Duitschland inwerken moest, vooral door Limburg heen, « het land dat meer dan eenig ander een schakel tusschen hen vormde », dewijl het, volgens Behaghel, gelegen was « auf der Soheide zweier Literaturen, der deutschen und der niederlandischen »(2)
Dus mocht prof. Koch dan ook getuigen, dat in de Neder- rijnsche landen, (waartoe ook deze streken bij de Maas be-
(1) Dr. JONOKBLOET, op. cèt., I, blz. 118. Vgl. H. Kurz, op. cit, I, S. 24 : « Mit der äuzern Form des Ritterthums nahmen die Deutschen auch die geistige Bildung ihrer Vorbilder an…. »
(2) BEHAGEEL, Orro, Heinrichs von Veldeke Eneide, mit Einleitung und Anmerkungen, Heilbron, 1882, S. oLxxxvO.
_— 4]
hoorden), waar ’t Duitsch en ’t Fransch spraakgebied on- merkzaam in elkaar versmolten, de natuurlijke brug voor het indringen der Fransche literatuur geslagen was : « van daar gingen trouwens de eerste dichters uit : Eilhart von Oberge (uit den Palz) en Hendrik van Veldeke » (uit het Loonsche).
Met Dr. Prinsen besluiten wij : « Veldeke’s hoofsche minne- dienst staat onder Zuid-Franschen invloed en hij vormt de heerweg waarlangs die invloed Duitschland binnentrekt » (1).
Ed id *
In die eeuw leefde en dichtte Hendrik van Veldeke en gewis onderging hij er den invloed van, zoowel in het Loonsche als in het Rijnsche, in zijn geboorteoord en op zijn reizen, latent en onrechtstreeks heel zeker, omdat hij dichter was. En al was hij dan nog niet een kracht- en waardemeter van een volk, zijn hart geen paroxysme van alle menschenvreugd en-leed, hij was toch een trobador, een zoeker en vinder, een bard : spreker ofte zegger van wat hem, en ook zijn tijd-
enooten, het meest trof, het meest belang inboezemde ; ortom, op hem is niettemin toepasselijk wat Melchior de Voguë aldus omschreef : « L’habitude du regard fait celle de la pensée | »
Op van Veldeke'’s bezieling moest inwerken de uitstraling van de middeleeuwsche levensbeschouwing : van den gods- dienst met zijn strenge zedenleer en beteugelend optreden tegen losbandigheid en woesten strijdlust; van het ridder- wezen met zijn idealen, zijn hoofsche minne, zijn tornooiën, zijn praal en pracht; invloed ook der groote economische gebeurtenisse van het revolutioneerend leenstelsel, zoowel als die der overwegende historische gebeurtenis van de eerste kruistochten en—in maatschappelijk opzicht — van ’s dichters betrekkingen tot vele der toenmaals regeerende Vorsten en Graven te Loon, Kleef, Thüringen, Mainz. Zoo ook moest hij den invloed ondergaan der geestelijken en der troubadours met dewelken hij in aanraking komt : de geestelijken o. m.
(1) PRINSEN, op. cit, blz. 100. Vgl. Prof. Dr. A. SALZER, Tllustrierte Geschichte der Deutschen Literatur von dem Gltesten Zeiten bis zur Gegen- wart, Munchen (o. J.), I, S. 221 : « Heinrich stammte aus einem frei- herlichen Geschlechte, dessen Stammsitz Veldeke in der N&he der Abtei St-Truyden (Trond) bei Maestricht lag, also in einer Gegend, wo deutsches und französiaeches Wesen gich vielfach berührten. »
Vel 4,
n.C) en
te Maastricht en te St-Truiden, waaronder eenigen misschien wel van Veldeke's dank verdienden wijl zij hem behulpzaam waren, mogelijk, in ’t toelichten ofte verklaren sommiger gedeelten van de Latijnsche « vita » waaruit hij zijn St-Servaas vertaalde (1); de troubadours, zijne voorloopers, o. a. Sper- vögel, Dietmar von Aist en Reinmar von Hagenau wier liederen hij wellicht kende zoowel als Lamprecht’s Alexander en Eilhart’s Tristrant; invloed, ten slotte, van de kruisridders- minstreels, zijne tijdgenooten, dier koene daden en zoeten zang, Oostersche wondersprookjes en de alles overheerschende, alles wagende en alles verzoekende minne, voor ’s dichters fantasie schitterend in een apotheose van ’n Oostersche kleurenpracht.
Door tusschenkomst dezer minnezangers, evenals der gra- felijke hoven, bijzonder in Vlaanderen, zal vooral ten tijde der Kruistochten, de Fransche Letterkunde, de Provengaalsche poëzie op Veldeke ingewerkt hebben, gelijk zij inwerkte op deze tusschen-landen over ’t algemeen, en van hier uit, als over een «heirweg», naar Duitschland trok, alwaar dan even- eens Veldeke’s werk den invloed moest ondergaan der Duitsche kultuur, in de XII eeuw, stralend van uit de aartsbisschops- steden, de kloosters- en kapittelscholen over de Rijnlanden.
Zoo zal ook Hendrik van Veldeke, naar Buckle’s woord, een « creature of the age » geweest zijn, onder de macht van wat Taine noemt : « la race, le milieu, le moment » : Spalbeek- sche XII® eeuwsche ridderdichter, levende in de periode van het leenwezen, doch, als edele, — mogelijk «miles», «ministeria- lis»: ridder, ambtenaar van den graaf van Loon —, verblijvend aan de hoven, zoowel aan deze als aan gene zijde van de Maas, nabij den Rijn, « dem damaligen literarischem Zentrum », naar °t getuigenis van Gierach in zijn studie over Veldeke’s tijdgenoot Eilhart von Oberge (2).
(1) Bedoelt hij die geestelijken wellicht, waar hij, in zijn St-Servaas, zijn dank betuigt « Alle dies hem. hulpe daer toe daden »? (I, 3247).
(2) E. GrerAcH, Zur Sprache von HEilharts Tristrant, Prag, 1908, S. 256 f. Vgl. Prarr, Der Minnegang des 12. bis 14. Jakrhte., 1, Stutt- gart, 1873, S. rx : « Die Dichter, deren Mundart sie an die Westgrenze Deutschlands setzt, zeigen zuerst französischen Einflusz. Die Maas- gegend war ein Kulturmittelpunkt geworden. »
Cfr. ook, in de Revue belge de Philologie et d'Histoire, t. V,‚, n° 4, oct.-déc. 1926, de mededeeling door M. F. Rousseau, over L'impor- tance historique de la vallée de la Meuse avant le XIII® siècle (blz. 1180- 1182) : « Au développement de la vie économique correspondait un magnifique épanouissement de l'art et de la littérature. Les écoles du
NE en
In die periode van ’t feudale stelsel en van de opbouwing der Gothische kathedralen door honderden meesters en ge- zellen, kunstenaars en wroeters ; in die eeuw, toen de mon- niken hun kennis, wetenschap en kunstschatten ten dienste stelden van alle standen zoo ’t de troubadours deden met hunne minnezangen en verhalen, kon van Veldeke’s lied niet een romeinsch hoog-hartig neuriën wezen « voor hem alleen en voor de Muze » ; geen overmoedig schimp-dicht, uit haat « voor ’t duizend-hoofdig publicum », opwellend uit het hart van een would-be.. aristocratisch modern dichter, scham- per… of pijnlijk gegriefd zich opsluitend in een ivoren toren ; maar, zooals de andere minstreels, zal onze Loonsche ridder- dichter zijn lied zingen voor zijn auditorium (weleens de « hapy few » der grafelijke hoven), ter verklaring dat ons alle goed van de liefde komt : « von minne kumet uns allez guot » ;
Hij zal zijn St-Servatius-legende berijmen voor die
Goede lude alle te samen, die dit boeck hoeren leesen. (II, 2958-2959.)
en Eneas’ lotgevallen zal van Veldeke verhalen aan de luis- terende toehoorders (toen zelfs de edelen haast niet lezen konden), hen dan ook rechtstreeks het woord toesturend, in dezer voege : « Gij die dit aanhoort…. »
Een ridder was « Meister Heynrijck », «die van Veldeken was geboren », en, ridderlijk-gehoorzaam, op een wenk van zijn bescherm-vrouwe, bezingt hij St-Servaas :
…… doer der Gravinne bede van Loen, sijnre liever vrouwen (I, 3236-3237)
Ridderlijk-offervaardig stelt hij zijn kunst, uitgesproken, ten dienste zijner tijdgenooten, de edelen, de geestelijken maar ook
den ongeleerden luden (T. 181) ;
zelfs tot stichting zijner lezers en van ’t luisterende publiek verheerlijkt hij St-Servaas :
ende den leeken luden leerde (I, 3231).
diocòse de Liége étaient célèbres dans toute la chrétienté, notamrnent dans les pays slaves... Au point de vue artistique, nous avons l'art mosan. Depuis gaerne années on commence à se rendre compte dela part considérable qui lui revient dans la floraison de l'art rhénan, aveo lequel il est étroitement apparenté » (blz. 1181).
— 44 —
Ridderlijk-gehoorzaam, op verzoek van zijn beschermheer
in Thüringen voltooit van Veldeke zijn Eneïde :
doe vol makde et Heinrich
dorch sân gebot end dorch sn bede
want he 'm gerne al den dienest dede
den he mochte ende konde (En., 13480-13483) ; en al dienende — want : « den diende garne Heinrich » (13490), — zal hij het ridderwezen huldigen, verpoozen zijne vrienden, zijne weldoeners : graven en edelen, en ook « den gemeynen man» ..... ‚. allen voor wie
stes ût der walske kêrde
ER en ted Veldeke Heinrîch (13431-13433).
En... tengevolge van den invloed o. m, van den middel- eeuwschen vromen godsdienstzin, die bijv. zijn slotgebed, aan ‘t einde der St-Servaas-berijming, inspireerde :
dat hem der goede Sinte Servaes
sijne ziele moete verloessen
van den duvelen den boesen, (II, 2966-2968) wordt hij er toe aangezet, bij gelegenheid, de edelen, de genieters, de feestvierenden, midden in zijn Epos uit de heidensche wereld, sommige Evangelische vermaningen te herinneren :
Got gebiede û, dat ir wale doet (En, 5963), of nog :
sal ich vasten ende waken
beide nacht ende dach. (En., 11086-11087.)
Meer nog, waar ’t een z. i. laakbare daad betreft, zoo bijv. Dido’s zelfmoord, keurt hij deze af : dat quam van onsinne
et was onrechte minne die sî dar toe dwanc, (En. I, 2429-2431)
gelijk hij, in een zijner minneliederen, treurt om ’t verval der zeden («Nu kan man dach ên nach die bogen seden lere»), en zijn vrouwen-dienst als volgt schijnt te motiveeren :
Doe man der rechten minne pflach doe pflach man ouch der êren.
Want, ook zijn XXXIII zangen staan in het teeken van het ridderlijk dienen, zoowel als de door hem verheerlijkte vrouwen-huldiging :
Swer to der minne est so froe dat he der minne dienen kan,
den
roept hij uit, en elders belijdt de minstreel : Man sol die vrouwen dienen ende sprechen So man allerbeste kan.
Waar hij de liefde aanschouwt als een bron van alle goed, moest ook zijn minnelied ten dienste staan van de gemeen- schap, tot verblijding van het alledaagsche, prozaïsche leven, tot leniging van zielewee, tot troost wien ’t harte zwaar te moede was, « wan ez wil nu winter sîn», wen de natuur den mensch tot zwartkijker stemde («état de l’'âme,reflet du pay- gage ») ; vooral in ’t stille graafschap Loon :
Sint die sunne er lichten schên gegen der kelte hât geneiget.
Optimistisch, want blijmoedig dichter (1), zong hij, in wel en wee, ten believe van zijn toehoorders, van zijn « liever vrouwe », zijner beschermster, « gravynne Ágnes van Loen » :
Schoeniu wort mit suezen sange diu troestent dikke swaeren muot.
Dank zij die invloeden, door Brunetière genoemd « de geografische of met het klimaat in verband staande hoe- danigheden, maatschappelijke en historische stroomingen », cristalliseerde van Veldeke’s St-Servatius-legende : de middel- eeuwsche naieve-heiligen-vereering, tot huldiging van « Die grote heer van Tricht » (II, 2972) : de godsdienstige poëzie; — zijn Eneïde : de verheerlijking van ’t XIIe eeuwsche ridder- wezen en der onversaagde edelen «ut tien dusenden erkoren »; de epische dichtkunst ; — en zijn Minneliederen : de « cour- toisie », de hoofsche liefde, « die minne », een stil en blij terug- denken aan de Geliefde, de hulde aan de Vrouw « die vruote vrouwe », « diu goede end skone » of nog « der skonen vrouwen end der goeden » : de lyrische zangen.
(1) Zie verder, hfst. IV, hoe dikwijls Veldeke het heeft over a sich freuen », « frö sîn », enz. Trouwens, vreugde uit zich in t zingen, zegt Veldeke zelf :
« hers leides sî vergâten.
Niet langer sî ensâten,
skiere sî op sprongen
sî speleden ende songen
end opperden heren goden.» (Enette, vv. 3817-3821.) en elders nog, b. v. :
«a hers leides sîì vergâten.
Sî bliesen ende songen,
sf speleden ende sprongen
sî wacden ende riepen. » (Enelte, vv. 6526-6529.)
EN,
Zoo was de Loonsche Meester Hendrik, van Veldeke-bij- Spalbeek, waarlijk de ridder-dichter der XII® eeuw in deze lage landen bij de Maas, waar de ridders, zijn ranggenooten de zoete spreuk en fiere leus « Ik dien » in hun wapenschild voerden (1) !
(1) Uit wat volgen zal, moge blijken dat « Heynrijck.… die van Velde- ken was geboren », ons, Vlamingen, toebehoort, en geen « deutscher Dichter » is, zoo ’t vermeld staat o. m. in FarrLeEy, Die Eneïde Heinrichs von Veldeke und der Roman d’Eneas, Jena, 1910, op blz. 18 ; FIRME- RY, « Notes critiques sur quelques traductions allemandes de poêmes francais au Moyen Age (Annales de U’ Université de Lyon, nouvelle série, II, Droit, Lettres, fascicule 8), Paris-Lyon, 1901, p. 52; — L. GrÉaorre, Dicthonnaire d'Histoire, de Biographie, de Mythologie etde Géographie, Paris, 1878 (nouvelle édit.), II, p. 1971 ; LAROUSSE, Grand Dicttonnaire universel, LVII, p. 832, evenals Larousse universel en deur volumes, II, Paris, 1922, p. 1202. Vgl. ook Guérin, Diction- naire des dictionnaires, Paris, 18922, VI, p. 1020; Ca. DEzoBRY-
‘Te. BaoHeLeT, Dictionnaire général de Biographie et d'Histoire, de Mythologie, de Géographie ancienne et moderne, Paris, 1857, II, p. 2718 ; WINKLER PrINs, Geîllustreerde Encyclopaedie, TX, Amsterdam, 19088, blz. 127 ; BROCHAUSE, Konversations Lewvikon, nr hi 1902, VIII, S. 922 ; Meyers, Groszes Konwersations Leaikon, Leipzig- Wien, 19056, IX, S. 110.
« D’une noble famille de-Westphalie », zeggen Guérin en Grégoire over Veldeke's afstamming, zoo °t ook vermeld staat in de Nouvelle Biographie générale depuis les temps les plus reculés jusqu'à nos jours (F. Dmor, fr., - Hoefer, - Paris, 1866, LXV, p. 10665).
Kurz, KLuGr en KoENIaG aanzien Hendrik van Veldeke als « ein Niederdeutscher Dichter » (Cfr. Kurz, op. cit, I, S. 326 ; Kruger, Geschichte der Deutschen National Litteratur, Altenburg, 18825, S. 43 ; R. KoeNra, op. cit, S. 42). Cfr. ook K. GOEDEKE, Grundrisz zur Gesch. der Deutsch. Dichtung aus der Quellen, Dresden, 18842, T, S. 81.
heen A. Bossert, was hij « d'origine basse allemande » (op. cét., p. à
WEBER gewaagt van Veldeke’s « niederländischen Heimat », waar hij ’t heeft over diens « Niederdeutscher Geburt » (WEBER, Lehrbuch der Weltgeschichte, Leipzig, 18704, T,S. 745), terwijl, in ZOEKLICHT, Nederlandsche Encyclopaedie voor allen, VIII® deel, Arnhem, 1925, blz. 349, Veldeke vermeld staat als een « Limburgsch Dichter ».
HENDRIK VAN VELDEKE'S GEBOORTESTREEK EN ZIJN LEVEN.
gelijk en bij benadering, eenige bijzonderheden op te
sporen, zullen wij zijne positie, in die tijden en in zijn geboortestreek trachten te verklaren. Beweert Taine niet in zijn Philosophie de l'art, alhoewel wat te categorisch : « Les productions de l'esprit humain, comme celles de la nature vivante, ne s'expliquent que par leur milieu », wat hem Goethe reeds vóórzei : « Wie den Dichter wil verstaan, moet in ’t land des dichters gaan », en, vóór hen, Vondel aldus omschreef : « De natuur baart den dichter, de kunst voedt hem op. » Wellicht deed dit ook Bormans getuigen « que c'est au milieu d'une population thioise qu'il (van Veldeke) a puisé les premiers principes de l'art qu'il devait perfectionner et enseigner plus tard à l’Allemagne » (1).
Het lijdt geen twijfel, dat de stichting, te Aken, van den zetel van ’t Imperium van Karel den Groote zeer bedrijvige betrekkingen voor gevolg had tusschen de Rijnsche pro- vinciën en de andere landen beheerd door den grooten Keizer. Ter oorzake echter van de menigvuldige hinderpalen aller- wege oprijzend in rotsachtige en woudrijke Hooge Venen en Ardennen, kon de strooming de natuurlijk-aangewezen Zuid-Wester richting niet volgen. Zij diende lichtjes Noord- waarts af te wijken, om alzoo ’t Westen te genaken. Deze richting was trouwens heelemaal aangewezen door de eenige brug toentertijd over de Maas geslagen, n. l. te Maastricht,
Te einde over Veldeke'’s leven, althans zoo volledig mo-
(1) BoRMANs, Sinte Servatiug-legende van Heynrijck van Veldeken, naer een handschrift uit het midden der XV® eeuw voor de eerste mael uitgegeven. — Maastricht, 1858, blz. 9.
er ÂR as
belangrijke stad uit het Carolingsche tijdvak : « trajectum ad Mosam...», waar men de Maas kon over trekken; al meen- de van Veldeke, in zijn Servaas, den oorsprong en de betee- kenis van den naam « Tricht » als volgt te achterhalen :
Die weghe versamenen sich all dae.
Des is die stadt daer nae
Gheheiten Trajectum. (IL, 980-982.)
De geschiedenis leert ons dat iedere verbindingsweg ge- woonlijk eene vallei volgt wanneer er een dal in de gewenschte richting kronkelt en alzoo een natuurlijken weg vormt. Deze van den Demer lag in de Oost-Westerrichting ; ook werd de groote verbindingsbaan tusschen Aken en België aangelegd in het Demerdal, en niet in de meer Zuidwaarts gelegen gewesten. Aan den anderen kant, liep de groote baan, van Maastricht uit, over Hasselt, —Curingen, Kermpt en Berbroek voorbij — naar Diest, en zoo over ’t Brabantsche naar de zee, alhoewel wij niettemin met De Klepper en Hansay aan- nemen dat de groote verkeersweg, vooral in de allereerste tijden dat de handel in ’t Loonsche bloeide, de oude Romeinsche heirbaan volgde van Maastricht op Tongeren, en vandaar den weg op Leuven over St-Truiden, Zout-Leeuw en Thienen, in stede van rechtstreeks van Maastricht op Diest. Nochtans mocht Hansay verklaren, met het oog op de tweede periode der geschiedenis van de stad Hasselt, gelegen dicht bij Vel- deke’s geboorte-oord : « Puis, au cours des XI® et surtout des XII et XIIIe siècles, industrie et le commerce prirent dans nos contrées, c'est là chose connue, un prodigieux essor. Or, Hasselt était situé dans la vallée du Démer, vallée émi- nemment propre au tracé d'une route commerciale mettant en communication avec le Brabant, avec Louvain notamment, la vieille cité de Maestricht », hetgeen ook door J. Lyna wordt beaamd waar hij schrijft : « De handelsweg van den Rijn en Maastricht naar Brabant, ging langs de versterkingen van Bilsen, Hasselt, Herck, Haelen, Diest » (1). |
En zonder nu tot in bijzonderheden af te dalen nopens de tegen-over-elkaar staande stellingen van Pirenne en Van der Essen, over den al dan niet overwegenden invloed op den
(1) A. HANsAY, « Les premiers siècles de l'Histoire de Hasselt », in Verzamelde Opstellen, II, Hasselt, p. 58 (2° note) ; J. Lyna, « De Munitio van Hasselt. Haar verband met het ontstaan van de stad », in Verzamelde Opstellen, Hasselt, 1927, blz. 32; J. DE KLEPPER, « Notice sur l’origine de la ville de Hasselt », in Ancien Pays de Looz (1905), Hasselt, nov.-déc., n° 11-12, pp. 54 suiv.
— 49 —
oorsprong van steden en vlekken geoefend door water- en andere verkeerswegen, mogen wij toch, zonder te willen over- drijven, naast het « milieu social », en benevens de strategische noodwendigheden der « castra », gedeeltelijk ook belang hech- ten aan deze geographische factoren in verband met de opkomst en ontwikkeling bijv. van Maastricht, Hasselt en Diest, vooral wat de allereerste periode betreft, vóór den bloei van het leenstelsel en van den handel, alsmede van de daaruit voortvloeiende invloeden op stedenbouw en -groei, zoo meesterlijk voorgestaan door Pirenne en Calmette (1).
Schreef reeds onze geschiedschrijver, de Hasselaar Mantelius niet, in zijn Hasseletum seu Hestoriae Loesensis compendium : « Maastricht en Diest zijn zeer oude steden. Dewijl de handelsweg, van uit Duitschland naar Brabant door die steden loopt, is het niet moeilijk te begrijpen dat, stilaan, op gansch dezen doortocht, steden en dorpen moesten verrijzen. Opmerkenswaardig is hun aantal, want, op dezen afstand van 9 mijlen tusschen Diest en Maastricht, telt men niet minder dan 4 steden en 9 dorpen » (2).
Kermpt nabij Spalbeek, waarbij de geboorteplaats (3) van onzen Limburgschen dichter gelegen is: « Veldeke apud Spal- beke », was een dezer 9 dorpen, wij komen hierop verder terug, evenals wij zullen aantoonen hoe « Meister Heynrijck » Tongeren en Maastricht bezingt in zijn St-Servaas-legende, en vermelden welke ’s dichters betrekkingen waren tot de Graven van Loon en tot de abdij, alsmede tot het stadsbestuur van St-Truiden. Hier volsta, terloops, aan te stippen dat,
(1) J. CALMETTE, op. cit, pp. 98, 160 et suiv.. Vgl. ook H. PIRENNE, Lee villes du Moyen Age, 'Éssai d'Histoire économique et sociale. Bru- xelles, 1927, chap. V, « Les marchands », pp. 94-116 ; doch vooral chap. VI, « La formation des villes et la, bourgeoisie » pp. 116-149. Men raadplege ook H. PIRENNE, « Villes, Marchés et Marchands au Moyen Age », in Revue historique, LX VII, 1898, p. 59, evenals diens studie over « L'origine des constituttons urbaines au Moyen Age, td, LVII, 1895, p. 68 ; L. FEBvRE, La terre et V'évolution humaine, Paris, st Aep: 411 et suiv. ; 8. RIETSOHEL, Markt und Stadt in ihrem recht-
erhältniss, Leipzig, 1897. Verder zij verwezen naar VAN DER aad op. cit, blz. 170-171 en 175.
Voor de Loonsche steden (ef. o. m. LyNA, op. cit, blz. 22), geldt als een algemeene regel dat zij aan den voet van een ‘versterking tot stand kwamen, zooals zulks ook het geval was met
( Ni MANTELIUS, Hasseletum seu Historiae Loesensis Tomes:
el 83) Over Veldeke's geboorte-streek, n. 1. over Spalbeek, Kermpt, Herckenrode, Curingen en Hasselt, raadplege men de bibliogra- Pphische opgave : Over Veldeke's geboortestreek, aan ’t Bae van dit boek.
EN) ee
benevens deze steden en dorpen, ook reeds gedurende Vel- deke’s leven, Curingen, nabij Spalbeek, een belangrijke rol speelde : daar lag zelfs een kasteel van den Graaf van Loon en deze had er uitgestrekte goederen, wier bezit hij misschien wel dankte aan de vrijgevigheid der Carolingers. Rond 1180, trok van Veldeke’s leenheer, Graaf Geraard van Loon, al- thans voor eenigen tijd, naar 't kasteel in Curingen, nadat zijn graafschap te vuur en te zwaard was gezet en zijn burcht te Loon door de Luiksche troepen verwoest was geworden. Werd er zelfs in de IX® eeuw geen munt geslagen te Curingen (evenals ook vroeger reeds te Maastricht), zooals o. m. blijkt uit een, vóór ’n 40-tal jaren, te Parijs ontdekt oud geldstuk uit den tijd van Karel den Kale (840-870), kleinzoon van Karel den Groote ; ‘t muntje draagt als opschrift : « De Fisco Curinio » ! Ook Herckenrode, de vermaarde vrouwenabdij, tusschen Curingen en Kermpt, nabij Spalbeek, werd gedurende Veldeke’s leven, door den beschermer van den dichter, Graaf Geraard, gesticht, waarschijnhjk ten jare 1182 zooals vrij algemeen wordt aangenomen, alhoewel nog geenszins bewezen is wat Mantelius desaangaande beweert. Reeds tijdens de jeugd van onzen dichter, n. 1. in 1135, stichtte Arnold V, Graaf van Loon,de niet minder bekende abdij van Averbode,
Dat toen ook Hasselt, ofschoon nog geen stad, «buyten alle twijfelinghe... een vermaert dorp », bloeide en uitblonk boven de omliggende dorpen van Veldeke'’s geboortestreek, verklaart de geschiedschrijver Mantelius uit zijne ligging op het kruis- punt der groote baan Maastricht-Diest, en tevens op den weg die de bewoners der Kempen in verbinding stelde met St-Trui- den, Tongerenen het overige van Haspengouw. Van af het mid- den der XI® eeuw immers, vooral ten tijde van Hendrik van Veldeke, nam de uitbreiding van dit vlek toe ; van toen af aan werd St-Trudo’s graf, te St-Truiden, een der drukst bezochte bedevaartplaatsen, zoodat Mantelius beweert in zijn in ’t Vlaamsch geschreven kleine Hasseltsche kroniek, zonder dat wij hieraan overwegend belang dienen te hechten, « dat de menschen met honderden uyt de Kempen comende... Hasselt moesten pas(seeren), ende dickwils daer vernachten. Doen heeft sy haeren wasdom genomen, gelyck Serkingen bij de rivier Cicindra is omtrent het iaer 1095 een stadt geworden, ende heeft haeren naem genomen van haeren Patroon, den H. Trudo » (1).
(1) Mantelius’ Nederlandsch Compendium van zijn Latijnsch Hasse- letum (geschreven in de jaren 1663-1670) voor de eerste maal uitge-
el es
Kortom, waar Ernst, in zijn Histoire du Limbourg ge- tuigt : « Un trait de la chronique de l'abbaye de Saint-Trond, écrite dans la première moitié du douzième siècle, (dus van Veldeke’s tijd) nous découvre en 1133 une multitude de tis- gerands qui travaillaient des tissus de lin et de laine à Aix- la-Chapelle, à Maestricht, à Tongres, à Borchloon, à St-Trond et dans le Brabant. Ces gens-là passaient pour être insolens et hautains, preuve que les manufactures étaient déjà très florissantes » (1), verklaart Dr. Jonckbloet, in zijn Geschie- denis der Nederlandsche Letterkunde : « De geschiedenis van den handel leert ons, dat de muntfabricatie zich, in overeenstemming met de uitbreiding van het handelsverkeer, verplaatst heeft : van Frankrijk b.v. ging zij naar Maastricht, van daar, reeds in de zevende eeuw, naar Duurstede en Friesland. Door Limburg is dus eenmaal de hoofdstroom van handel en verkeer gevloten. »
Dr. Prinsen en Prof. Kalff, zoowel als Prof. Koch en Dr. Ten Brink, leggen nadruk op deze uitzonderlijke ligging van Veldeke’s gouw : en, noemt de eerste deze gewesten een heer- weg tusschen Duitschland en Fransche provincies, Kalff spreekt van de schakel tusschen Germaansche en Romaansche lan- den ; Koch vergelijkt deze oorden met een brug gelegen tusschen Frankrijk en Duitschland, terwijl ook Ten Brink uitdrukkelijk zegt : « stoffelijke vooruitgang, daarna ont- wikkeling en beschaving, moest het gevolg van dezen gun- stigen toestand zijn. Wol- en linnenweverijen te Maastricht, te Tongeren en te Sint-Truyen, bloeien in de eerste helft der twaalfde eeuw», waaraan, volgens Veldeke zelf, nog dient toegevoegd de rijkdom dezer streek dank zij landbouw en daarmee verbonden veeteelt « der besten coren eerden » evenals Maastricht's rijkdom « in visschen ende in ghe- wilden ». Everts, in zijn Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde, wijst daarenboven nog op « de vroegere verspreiding van het Christendom in deze streken, het ves- tigen van regelmatige bisdommen en daarbij behoorende scholen en de nabijheid van het koninklijk hof van Karel den Groote te Aken. »
Edoch, reeds van Veldeke zelf geeft ons, althans gedeelte-
geven door Por. DANIELS in het vóór den oorlog te Hasselt verschij- nend tijdschrift ’t Daghet in den Oosten, 1892, blz. Ì en vlg. : « Hasselt- sche Kronijk van Mantelius ».
(1) M. S. P. Ernst, Histoire du Limbourg suivie de celle des comtég de Daelhem et de Fauguomont, I, Liége, 1837, p. 130.
— 52 —
lijk, uit oogpunt van stoffelijk welzijn, de verklaring van den bloei dezer-zijne gouw, waar hij, in zijn St-Servatius- legende, de ligging van « Trajectum », de stad Tricht (Maes- tricht), aan een kruispunt van de groote handelswegen, (1) aldus bepaalt :
In eynen dal scoen ende liecht
Effen ende wael ghedaen,
Daer twee water tsaren gaen,
Eyn groet en eyn cleyne,
Claer, schoen ende reyne :
Dats die Jeker ende die Mase.
Beide te korne ende te grase
Es die stadt wale ghelegen,
Ende te schepen in voele weghen ;
In visschen ende in ghewilden,
Ende in goeden ghevylden,
Der bester coren eerden,
Die ye mochte ghewerden.
Des steyt die stat te maten
Aen eynre ghemeynre straten,
Van Inghelant in Ongheren,
Voer Colne en voer Tongheren ;
Ende alsoe dies ghelijck,
Van Sassen in Vrancrijck,
Ende mit scepe die des pleghen,
Te Denemercken en te Norweghen,
Die weghe versamenen sich all dae.
Des is die stadt daer nae
Gheheiten Trajectum (I, 959-982.)
Dit was de toestand, in zijn algemeene trekken, van Vel- deke’s geboorteoord ; over zijn geboorteplaats « Veldeke » spreken wij verder. Wij waren, bij 't bondig samenvatten van tijd, midden en streek waarin Veldeke leefde, tot nog toe Dr. Kalff's raad indachtig, althans wij beproefden zulks : « Is een schrijver uit vroeger tijd een volslagen onbekende voor ons, dan moeten wij trachten te ontdekken : in welken tijd hij heeft geleefd. » Ons blijft nog na te speuren wat deze beroemde litteratuurkenner voorts bepaalt in zijn « In- leiding tot de studie der Literatuurgeschiedenis », n.l. : « zooveel van zijn uiterlijke levensomstandigheden als ons van nut kan zijn bij het bestudeeren van zijn werk » (2).
Zonder nu ook te willen beoogen, hetgeen Taine bedoelde,
(1) G. Senaers, in De Belgische School (opvoedk. maandschr.…, V, 1908-1909), af 12, op blz. 182, stelt als verklaring voor : « De wegen vereenigen zich alle daar (om de Maas te overschrijden). — Zoo is de stad daarom geheeten Tricht. »
(2) G. KaLrFr, Inleiding, blz. 62.
pn pan en ED geen tee en a den dn nn de
SINT-SERVATIUSLEGENDE. (Fragment uit het XV®-eeuwsch handschrift.) (Beschrijving der stad Maastricht : vv. 961-983, Boek I.)
“Cliché bereidwillig ter beschikking gesteld door het Comité ter herdenking van het 8ste eeuwfeest van Hendrik van Veldeke (Maastricht).
gp a or nen AN a
heer L. Scharpé,
nsche Hoogeschool.
GEL VAN DEN, LATEREN
Nn
1247 MET ZE
AN
MENT DER AKTE Vv
k Rn ee EN sf se
md
(Zie blz. 53 en 57.) door den Weledele
-MOLEN)
SE
ARAS aes
zt hef,
DEN VELDEKER
ing geste professor aan de Leuve
FRAG
aten)
HENDRIK VAN VELDEKE.
g-ter beschikk
U
dwi
Cliché berei
_
Laet mire
(WAARIN SPRAKE VAN
EN PE
in zijn Histoire de la Littérature Anglaise, n. 1. de werken slechts bestudeeren om de menschen te kennen…. « comme on n'étudie la coquille que pour connaître l'animal », zullen wij trachten uit van Veldeke’s ceuvre, alsmede uit het leven en het getuigenis zijner tijd- en stamgenooten, evenals uit het werk der geschiedschrijvers, zooveel bijzonderheden mo- gelijk nopens ’s dichters persoon op te diepen. Ook onzen Limburgschen ridder-zanger immers, geldt wat wij, onge- lukkig, over ’t algemeen, van alle oudere dichters moeten zeggen : van hen is niets bekend dan hetgeen zij over zich zelven, over hun persoon, afkomst, geboorteplaats en betrek- kingen in hun eigen werk vermelden (1), tenzij schrijvers uit latere tijden, navolgers, bewonderaars of ras- en land- genooten ons inlichten nopens hun poëtische werkzaamheid De dn hunnen invloed op het werk van sommige jongere ichters.
Aan het slot van het tweede boek der Servatius-legende, zegt de dichter : In dutschen dichtede dit Heynrijck Die van Veldeken was geboren, (II, vers 2920) en in een charter van 1247 (het eenig bekend stuk uitgaande van een Heer van Veldeke zelf, thans berustende op het Staatsarchief te Hasselt), betitelt zich deze vermoedelijke nazaat van den Spalbeekschen zanger : « Ego henricus miles dictus de Weldeke ». Van dat Veldeke is niets overgebleven dan een molen « Velker-molen » (2) of Velleker-molen geheeten; «dat is onze Limburgsche verzachting van Veldeker-molen, de molen van Veldeke » (aldus Daniëls in zijn studie uit het jaar 1886). De aloude molen echter werd den 18% Oogst 1914, na hunne neerlaag te Haelen, door de Duitschers platgebrand, maar in 1917 door den huidigen eigenaar, heer C. Smeets van Kermpt weer opgebouwd. Die Velker-molen ligt op de grens der gemeente Spalbeek … En Spalbeek nu? Sommige boeken over Nederlandsche of Duitsche Literatuurgeschiedenis zeggen : bij St-Truiden, zoo
(1) Eilaas ! met H. Roetteken kunnen wij slechts herhalen : « Von seiner eigenen Persönlichkeit sagt uns Veldeke sehr wenig… niemals fällt es ihm ein, Schikgale over innungen seiner Helden mit seinen eigenen zu vergleichen oder sonst auf sich zu exemplificieren. » H. ROETrTEKEN, Die epische Kunst Heinriche von Veldeke und Harts- manns von Aus, Halle, 1887, S. 203. Vgl. BEHAGHEL, op. cit, S. CXLI.
(2) Over de verschillende schrijfwijzen van den naam Veldeke, cf. Bibliographie, aan ’t alot van dit werk.
— 54 —
. ©. m. Salzer en Koenig ; andere leeren : bij Borgloon ; Dr. Kalff gewaagt « van de buurt van Maastricht » evenals A. Bar- tels, W. Scherer, Pfaff en Vermeylen. En al is Spalbeek ongeveer 40 km. van Maastricht verwijderd, Behaghel en W. Golther beweren Spalbeek ligt «in der nächsten Nähe von Maestricht »; «niet verre van Maastricht», aldus Te Winkel : «in de omstreken van Maastricht », volgens Prof. Ten Brink. Ook in Brockhause’s en in Meyers'Konversations Lexicon, staat Spalbeek vermeld als gelegen « in der Nähe von Maestricht ». De Luiker hoogeschoolleeraar Stecker bepaalt zelfs nader : « Veldeke, à deux lieues de Maestricht. » (1) Goedeke spreekt nog van « dem dorfe Veldeke, bei Maestricht », zooals ook Otto von Leixner, in zijn Geschichte der Deutschen Literatur, zelfs ten jare 1916 nog verklaart dat Veldeke afkomstig is « aus dem Dorfe Veldeke bei Maastricht. »
Ook Prof. Piper in 1873, en Behaghel in 1882, gewaagden van «Veldeke, einem Dorfe welches unweit des noch vorhan- denen Dorfes Spalbeke westlich von Maestricht lag » (2). Schrijft zelfs de Engelsche Literatuur-kenner Hallam niet, in zijn Geschiedenis der Europeesche Letterkunde, dat Veldeke geboren werd in ’t Noorden van Duitschland, alhoewel Prof. Mone, een Duitsche bevoegdheid, reeds ten jare 1830, Veldeke in Limburg had thuisgewezen (3)! Ed. Engel laat zich nog over geen bijzonderheden uit, zelfs niet in de onlangs ver- schenen 27° uitgave zijner Geschiedenis der Duitsche Interatuur, waar hij leert dat « Veldeke vom Niederrhein stammte », terwijl Heinrich Kurz beweert dat « Heinrich ohne Zweifel ein Niederdeutscher war. »
Neen, Spalbeek — waarbij Veldeke ligt — bevindt zich op een uur (8,5 km.) afstand van Hasselt, aan den Westelijken kant van de stad, dicht bij het dorp Schuelen (4). De in 1917
(1) Cf. Bibliographie. Zie eveneens hierbover, blz. 46, nota.
(2) Prof. Dr. P. Piremr, Höfische Epik, Stuttgart, 1873, I, S. 57 ; BEHAGHEL, op. cèl., S. cuvmm. Trouwens op de Karte zur Deutsche Litteraturgeschichte des Mittelalters, gevoegd bij ’t derde deel van Piper's Höftsche Epik staan de namen Veldeke, Spalbekeen Maastricht zoo kort naast elkaar, dat wie deze kaart raadpleegt, gewis moet denken : Veldeke en Spalbeke liggen dichtbij, «in der Nähe von Maes- tricht », « in de buurt van Maestricht ».
(3) J. Mone, Quellen und Forschungen zur Geschichte der Deutschen Litter. und Sprache, Aachen-Leipzig, 1830, t. I, S. 252.
(4) Het dorp Spalbeek ligt op 2 km. afstand van Kermpt evenals van Berbroek, op 4,5 km. van Schuelen, 5 km. van Wuest-Herck, 8,5 km. van Hasselt en 21 km.van St-Truiden. Uitde oude oorkonden
iben
nieuw opgebouwde watermolen, die nog altijd de « Veldeker- molen » genoemd wordt, draait er langs den kiezelweg van Kermpt naar Lummen en thans nog noemen de dorpsbewo- ners die streek Veldeke of Velck ; in de XVIIIe eeuw bestond. ook de « Vellekerstraat » komende van Tiwinckel (onder Lum- men) naar Spalbeek, voorbij den molen (1). De gebouwen van molen en afhankelijkheden (want het is terzelfdertijd een hoeve) zijn gelegen op het grondgebied der gemeente Kermpt, op de grensscheiding van Spalbeek en Lummen (art. 59 tot 64 van het kadastraal plan) en zij beslaan een zeer groote oppervlakte : het neerhof alleen van den ouden molen was meer dan drie roeden groot.
Het slot Veldeke bestaat sinds lang niet meer; gewis werd het, in wisselvalligheden van tijd en slijt of oorlog ten gronde toe verwoest ; doch in den omtrek kan men nu nog de overblijfsels vinden van groote bouwwerken en oude wallen. Volgens Bormans bestond dit kasteel nog ten jare 1355 : « Dl est probable que le château de Veldeke cessa bientôt d'être une résidence ordinaire. Tombé en ruines et démoli ou brûlé peut-être, il perdit jusqu'à son nom, que le moulin et la ferme ont heureusement conservé. »
Dat omstreeks het midden der XII® eeuw, dichter « Heyn- ryck, die van Veldeken was geboren » (St- Serv. II, vv. 2920- 2921), Heer was van dat Veldeke, kan niet met volstrekte zekerheid bewezen worden. Wel weten wij dat, in 1195, zijn tijdgenoot en waarschijnlijk een bloedverwant, met name Robertus de Veldeca, als getuige optreedt in een akte waarin Graaf Lodewijk van Loon bekend maakt dat « Henricus burgensis Sancti Trudonis » en diens echtgenoote « Frederigis » de goederen, die zij bezitten « apud Rockelgendis », aan de abdij van Averbode afstaan (3).
(waarover verder) blijkt dat het wel degelijk Veldeke bej Spalbeek geldt, waar onze dichter geboren werd en waar de Veldeke’s hun leen bezaten, afhankelijk van de abdij van St-Truiden.
(1) In een handschrift (106 blz,), « Seigneurie de Spalbeek — régime terrier, 18° siècle », — op het Staatsarchief te Hasselt berustend, is er sprake van « La prairie dite Lenaers-Bampt» die o.m. grenst aan « la rue dite Vellekerstraet venant de Tiwinckel vers Spalbeek » (blz. 3). Op den Atlas van den wegendienst wordt dezestraat niet meer vermeld.
(2) Dat er te Veldeke een slot bestaan heeft, lijdt geen twijfel : een hoveling, ‘n ministerialis van den graaf van Loon kon niet op den nabijliggenden molen verblijven, een zoon van ’n edelman als onze dichter kon niet op een molen geboren worden.
(3) Onuitgegeven oorkonde, uit de abdij van Averbode, verschenen in KEMPENEERS, Hendrik van Veldeke en de Bron van zijn Servatius, Antwerpen-Leuven, 1913, blz. 168-159,
zn BO
Indien Meister Heinrich niet Heer van het erf Veldeke was, kan deze Robrecht, die ook den naam van het goed droeg, het mogelijk wel geweest zijn, meent Kempeneers.
In een handschrift (uit de jaren 1350-1360), een fragment nl. van een register der leengoederen en vazallen der abdij van St-Truiden, alsmede in de 2 tafels «Foeuda cum ferie Vas- gallorum » en « Registrum Foeudorumexempti et imperialis monasterii St. Trudonis », beide van 1707, wordt, benevens van 112 bunders bouwgrond, slechts melding gemaakt van 34 5, bunders weide: «de 34 Y5 bonariis pratorum seu pascua- rium apud Veldeke», wederzijds op blz. 2, 402 en 578. Uit een akte van 1218 (1) echter blijkt,dat de van Veldeke’s toenter- tijde in ‘tgeheel reeds tamelijk veel goederen moesten bezitten buiten hun leen te Veldeke, vermits Arnoldus, Graaf van Loon, dat jaar, «anno dominici incarnationis M. CC, octavo decimo», bekend maakt, dat de abdij van Herckenrodealsdan ontvangt:
19 van Arnold van Veldeke de tiende van Zolder : « decimas de Sulre » ;
20 van Floria van Veldeke gansch haar leen-erf en daaren- boven hetgeen zij bij Wilderen bezat : « Totum allodium suum et quidquid tenebat apud Wilre » ;
3° van Hendrik van Veldeke, zoon van Arnold, (Filius etiam suus Henricus), een stuk van zijn leen-erf dat toe- gekend was aan de kerk van Kermpt, maar dat, volgens de keus van deze, met een ander verwisseld werd : « sed pro alliis bonis sunt commutati... »
Dat het erf Veldeke, mogelijk, waarschijnlijk zelfs, zeer gering in den beginne, aangegroeid is tot een tamelijk-aan- zienlijk goed, bestaande ten minste uit bedoelde 3415 bunders weide, waarbij, vóór de deeling der goederen in de XTIV® eeuw, ook nog 112 bunders bouwgrond behoorden, benevens enkele eijnsen te Spalbeek zelf (2), dat Veldeke misschien «aangegroeid is tot een kleine heerlijkheid (Dominicus de Veldeke) » schijnt wel uit volgende oorkonden af te leiden.
(1) Daris, Cartulaire de V'abbaye de Herckenrode (Notice sur les églises du drocèse de Liége, IV, 1871), p. 135-136.
(2) Deze uitgestrektheid — vooral het leen der 112 bunders bouw-
ond, — kan het bezit van een molen (den Veldeker-molen) vol- komen wettigen. |
Voor deze bezittingen te Spalbeek, cf. 't slot van dit hfst, nota, de vermelding van de in 1707 geschreven twee Registers der opgave van al de leengoederen der St-Trudo-Abdij. Beide tafels alsmede het bovendoeld fragment (1350-1360) berusten op het Staatsarchief te Hasselt, reeks 6744, samen met nog een vier-tal andere, aan ’t slot van dit hoofdstuk vermeld.
eN
… id Pi . pen KN _ à es s er « je ad 5 7 - < ‘ z: v NN =n, = hd . seh. « - 1% ì ‘ z kg L
‘ ; « - . Z - € ’ ( el = jn j « n | ‚ n - ae e e © s ef Pd pe ed _ b: « 5
r d bi - - 5 \
a: ’ st : d — é 5 á 5 . é 5 el 5
d he 8 - i ! .
-_. - = ks Ed } . he b . ad IN
' es
8 DE VELCKER OF VELDEKER-MOLEN E TE VELDEKE-BIJ-SPALBEEK. t . ij 8 Cliché, door tusschenkomst van den heer Hullebroek, bereidwillig ter beschikking gesteld door den « Standaard-Boekhandel ».
STORENDE DRUKFEILEN.
Op blz. 57 gelieve men den eersten regel te lezen : « Door akte van 1233, « aectum idibus aprilis anno Domini M.CC.X XX tertio » (1). schenkt... »
Voorts gelieve men te verbeteren : N Blz. 8, regel 4 van boven : « litteratuur » moet zijn « literatuur » Wer. DP 3 ) : «wisten » moet zijn « wist » heksen — 15 ) : « hiteraire » moet zijn « litteraire »
She ap 4. van beneden : « Te recht » moet zijn « Terecht » » 36, » 5 van boven : « liefde- » moet zijn « liefdes- »
DB, «» -13 D rc wvollem » moet zijn « vollen » >» 37, » 14 ) : « herangeblüht » moet zijn « herangeblüht » »i Abe Dt 4 » : «aanschouwt » moet zijn « beschouwt » p DA,» 5 van beneden : « litteratuurkenner » moet zijn « litera- Í tuurkenner » | » 54, » l van boven : « o. m. » moet zijn « Oo. a. » E DO DP <17 ) ‚ «tiende » moet zijn « tienden » ° » 61, » 10 van beneden : « den titel » moet zijn « ten titel » » 64, » 2 van boven : « war » moet zijn « was » 3 » 64, » 15 ) : « Herbert » moet zijn « Herbort »
» 65, » 16 van beneden : «tenauwernood » moet zijn « ternauwer- nood »
» 66, » 4 ) » «van de grote » moet zijn van « die grote »
» 70, nota 3, dient aangevuld met de nota van blz. 227.
» 7l,regel 4 van beneden : « personna » moet zijn « persona »
» 72, » 11 van boven : «en bijzonder » moet zijn «en, bijzonder, »
» 79, » 16 van beneden : « tiende » moet zijn « tienden »
Per 55, 19 ) : « Nâhe » moet zijn « Nähe »
» 109, » 6 » 2 «O0. Mm. » moet zijn «0. a. »
» 110, » 4(nota)» : «uitgaven » moet zijn « uitgave »
» 122, » 8 ) ‚ « mogelijk » moet zijn « (mogelijk »
» 124, » 7 ) : «schreef hij » moet zijn « schreef Bor-
| mans »
» 133, » 3 der nota : « waardigheidsdekleeders » moet zijn « waar- digheidsbekleeders »
» 145, » 8 van beneden : « o. m. » moet zijn « o. a. »
Blz. 164, regel 5 van boven . « bij » moet zijn « hij DE PILON er ae » … __:« wezenlijk was) » Ae zijn
was) : » BOV meen 17 D » Cit » moet zijn « ’t » » 167, » 18 » : «nn » moet zijn «in »
» 196, » 2 van beneden (nota) : « Hadewijk » moet zijn « Hadewye » 210, » 11 van boven : « Spalbeekschene delman » moet zijn as « Spalbeekschen edelman »
» 214, » 17 van beneden : « te recht » moet zijn «terecht» — » 228, » 16 van boven: aan te vullen als volgt : « bla. 1, 125, 126, 144. »
» 229, regels 27 en 28, van boven, te plaatsen onder regel 33.
_
» 230, regel 11 van boven : « 34, 218 ff » moet zijn « 34, SS. 218 fi»
ve ee Ie D : « Id, Mém... » moet zijn « Ip., Id. in.… »
» 231, » 6 van beneden : « 16, 420 ff.» moet zijn « 16, SS. 420 ff. » 13 5 26 > : « 26 efr, » moet zijn « 26, SS. » DIR DVZ » : (95, 613 ff. » moet zijn « 95, SS. G13 ff. » DBM ZL p : « 44, cfr. » moet zijn « 44, SS. »_
de Ar Eer » : «de eene » moet zijn «SS.»
> 232, »- 8 » : CS. 51, 106 ff. » moet zijn «51, SS. 106 ff. » PAD TR ) : (3, 106 ff. » moet zijn «3, SS. 106 ff. »
» 232, laatste regel moet wegvallen (herhaling van voorlaatste).
» 233, regel 18 van boven : « Geistliche. » moet zijn « Gesstliche »
» 233, » 9 van beneden : « rijser » moet zijn « rijzer »
» 234, » 9 » : « bearbeit, » moet zijn « bearbeitet, »
» 236, » 7 ) : (SS. 211. » moet zijn « SS. 211 ff. »
» 236, » 5 » : « Midelnederl. » moet zijn «Middelnederl. » » 238, » 12 van boven : « Leg » moet zijn « Leg. »-
m2 >» al4 » : « XIV® » moet zijn « XVE »
PRE mo 18 » : Schepens’, » moet zijn « Schepens’ »
Ten slotte, dient nl. en miet n. 1. gezet o. m. op blz. 11, 23, 25, 36, 47, 49, 50, 52, 53, 56, 59, 62, 77, 82, 85, 99, 102, 106 en 140. Op blz. 26, 35, 74, DS, 101 en 103 dient Parzival en niet Parsifal gelezen, en op blz. 74, 76, 165 en 233 Strassburg en niet Strasburg of Straszburg. — O. m. op biz. 38 en 114 loze men : Geschichte der deutschen (niet Deutsche) Literatur.
Voorts gelieve men de verkeerd gezette zinteekeng te verbeteren, o.m.
op blz. 29, 30, 43. 133. 139 en 141. :
B
MOC.XXX. tertio », (1) schenkt Graaf Arnold van Loon, aan de abdij van Herckenrode, dichtbij Kermpt-Spalbeek, een visscherij in den Demer, van af den molen van Hercken- rode tot aan de Visscherij van Hendrik van Veldeke: « usque ad piscarium Heynrici de Veldeken ».
Niet alleen had die Hendrik (wellicht een bloedverwant van onzen dichter) een visscherij, op zijn erf Veldeke, gelegen ten Westen van Herckenrode, op den oever van den Demer, doch uit een akte van 1247 (Actum anno Dominici M.CC.XLVII. Mense Junio) (2), blijkt tevens dat de van Velde- ke’s — althans in 1247 — een molen bezaten. In bedoeld charter wordt de oneenigheid geregeld tusschen de abdij van Hercken- rode en Hendrik van Veldeke (« Henricus miles dictus de Weldeken), betreffende het water van den Demer van af den molen van deze abdij tot aan dien van Hendrik van Veldeke zelven : « super aqua que defluit a molendino earum ad mo- lendinum meum », aldus Hendrik van Veldeke van wien het stuk uitgaat.
Ten slotte weten wij, door een oorkonde van 1264, dat een « Henricus dominicus de Velke », als getuige optrad in een akte waarbij Arnold, Graaf van Loon, van alle leenrecht ontslaat de dertig bunders in het bezit van de abdij van Herckenrode, te Cortessem, alsmede de rente gemaakt op den molen, door Bolle van Nederheim en Constel van Schoon- winkel gehouden op het gebied van Wintershoven : die Henricus, een van ’s dichters bloedverwanten wellicht, was dus—een halve eeuw na Meister Heinrichs dood, —in ’t bezit van de heerlijkheid Veldeke en hoofd van het huis, heer van Veldeke (3).
En daar, in een charter van Arnold, Graaf van Loon, aan
(1) Het oorspronkelijk stuk op perkament (17 cm. op 8 % cm), met het aan stukken zijnde zegel van Graaf Arnold van Loon, berust op het Staatsarchief te Hasselt (Afd. Herckenrode, doos charters, nrs 1 tot 30). Het werd uitgegeven door Daris, Cartulaire de U’ Abbaye de Herckenrode (Notices, IV, Liége 1871), p. 18.
(2) Ook dit dokument (27 cm. op 13 cm.), wordt bewaard op het Staatsarchief te Hasselt, zelfde afdeeling. Van de vier zegels die er aanvankelijk aanhingen, zijn de drie eersten, namelijk die van de abdissen van Alna, Val-St-Lambert, en van Herckenrode, verdwenen ; alleen het vierde en laatste zegel is er nog aan bevestigd, dit namelijk van Hendrik van Veldeke. (Zie afbeelding in dit werk).
(3) Worrers, Notice historique sur l'ancuenne Abbaye de Herckenrode dans la province actuelle de Limbourg, Gand, 1849, pp. 81-82 (annexe n° 19) en Codex, p. 144, n° 261 ; BORMANS, op. cit, p. 26. Zie verder, over Hendrik Heer van Veldeke.
Vel 5.
ee Senn
de abdij van Averbode ten jare 1239 reeds, een Hendrikus van Veldeke, minsstervalis, ambtenaar van het graafschap ver- meld wordt, die, luidens een oorkonde van 1247 zelfs dapsfer comitis de Los was, « waardigheidsbekleeder van den Graaf van Loon » mogen wij dan ook met Kempeneers onderstellen, met betrekking tot die bezitters van de visscherij en van den molen, — het eigenlijke leen Veldeke der abdij van St-Truiden daargelaten, —« dat de van Veldeke’s hunne heerlijkheid, op het Loonsche grondgebied liggend, in leen hadden van de graven van Loon. Het waren immers vooral de leenhouders zelf van den graaf welke de rol van beambte of waardigheids- bekleeder vervulden aan het Hof », alhoewel in de leenregisters van het graafschap Loon geen melding van Veldeke wordt gemaakt, zoo ’t ons de heer Dr. Lyna terecht deed opmerken. De verheffingen geschied voor de abdij van St-Truiden, bewij- zen dat althans het erf Veldeke-zelf in de XIII® en XIV® eeuw niet van den Graaf van Loon doch van de St-Trudo-abdij afhing, zooals verder aangeduid wordt.
Het feit echter, dat de Veldeke’s leden waren van den Loonschen adel, wijst er op dat ze ook Loonsche leenen in hun bezit hadden.
In alle geval, maakte dat Veldeke later deel uit van het graafschap Loon, zooals blijkt uit een handschrift uit de XVI° eeuw, hetwelk, volgens Daris, (den uitgever er van), van vroegere eeuwen is. In de vermelding van « die diensten ende carveyen die de onderdanen in den graefschappe van Loen den Landvorsten op sijn casteel ende sloet van Curinghen gchuldich te doen sijn », wordt op het laatste blad aangehaald dat evenals « de vreijheijt van Curinghen» (Ll, blz. 213-214), « een abdisse offt convent van Herckenrode » (LI, blz. 214-217), alsmede « die dorpen. Kermpt, Spalbeek, Steijvordt, Ber- broeck » (III, blz. 217-219), « die dorpen die het casteel van Curinghen schuldich sijn 200 opgaende eijckenboemen… (IV, blz. 219-220) en eindelijk « die dorpen offt bancken uit landt van Montenacken »… (V, blz. 220-221) …, zoo ook : « Item het cloester van Herckenroede, der molder van Thult, oeck Velck als van noeden doet ende van des heeren weghen versocht wordt, die sluysen tot aen den balck op te trecken sijn sy sculdich. Syn oeck die molders als Curinghen, Her- ckenroede, Thuijlt en Valck met malkanderen veraccor- deert het water niet op te halden, daer duer iemand schaden ontfangen soude » (1).
(1) Daris, Notices, V, Liége, 1874, pp. 213-221, en niet in Cartulaire
sv re ys
Or een
Reeds vroeger echter was het erfgoed der van Veldeke's gedeeltelijk een leen van den Graaf van Loon ;het lag op het grondgebied van het graafschap Loon, wiens grenzen nagenoeg samen vielen met die van de huidige provincie Limburg (1). Immers, de Geschiedenis leert ons dat, ten tijde van dichter Hendrik van Veldeke, op het einde der XIe of in ‘t begin der XII® eeuw, het Zuid-Oostelijk gewest van Taxandria, een gedeelte der tegenwoordige Limburgsche Kempen en een onderdeel der Maasgouw, «Pagus Masau», beide vereenigd met het graafschap van Noord-Oostelijk Haspengouw, Loonsch waren, terwijl alsdan de Noordelijke streek van het land van Stryen (n. 1. het Kempisch gedeelte van het Bisdom Luik, ten Westen van de Donge) bij Holland ingelijfd werd (2). Overigens, volgens Mantelius, waren Spal- beek, Kermpt en Lummen vermeld als « Comitatus Lossensis feuda Dominicalia, vulgo Heerlijck Heden » (3), en, wij zagen het reeds, Veldeke lag op het grondgebied der gemeente Kermpt en « apud Spalbeke » : dit althans wat de ligging betreft van 's dichters geboorteoord in 't graafschap Loon.
de abbaye de Herckenrode, pp. 113-121, zooals door KEMPENEERS, op. cit, blz. 75, 2e nota, ten onrechte vermeld wordt en door P. Scr: PENS in zijn Hendrik van Veldeke, Middelnederlandsch Dichter, Gent, 1927, op blz. 14, 2e nota wordt herhaald.
(1) erhalen wij met Bormans : « N'est-il pas étrange qu'on ait appelé cette partie de notre pays la province de Limbourg, quoique
pas un pouce Pam -être de tout son territoire n’ait appartenu à lan- cien duché de bourg » (BoRMANs, op. cit, p. 8, note).
Dams, in zijn Histoire de la bonne ville,… 1, blz. 380, spreekt in denzelfden zin, terwijl Hansay gewaagt van « le territoire de la pro- vince belge improprement aujourd'hui dénommée Limbourg » (HaNsay, « L' Ancien Comté et les anciens Comtes de Liooz, notes critiques », verschenen in Mélanges d'histoire offerte à Henri Pirenne, Bruxelles- Paris, 1926, t. I, p. 189).
(2) Over het ontstaan en de ontwikkeling, tijdens de eerste eere van ’t graafschap Loon, cf. o. m. Daris, Histoire de la bonne ville. 1864, II, „PR, 373 et suiv. ;HANSAY, « La partie lossaine des anciens Comtes de Masau », verschenen i in Annales de la Fédération Archéolo- gigue et Historique de Belgique, Liége, 1909, II, pp. 139-145 ; HaNsay, « L'ancien Comté et les anciens Comtea de Looz » op. cit, pp. 189 et suiv. ; VANDERKINDEREN, L., La formation territoriale des Princi- oid belges au Moyen Age, 1902, t. ku „EP: ‚ 130-141 ; VANDE WEERD, « De Maasgouw » el Masau), in Mélanges C. de Borman, Liége, 1919, ’ PP: 47-56 ; DE BORMAN, Le livre des fiefa du Comté de Looz sous Jean d’Arkel, Bruxelles, 1875, pp. vrr-rx. Volgens J. ‚Daems, Histoire de la bonne ville. ‚ I, blz. 377 : « Le Comté de Looz n'a porté ce nom que depuis le commeacemeat du XI° siècle. Du moins ne le trouve-t-on cité sous ce nom que depuis cette époque. »
(3) MANTELIUS, Hist. Loss, p. 294.
— 60 —
Edoch, volgens het boek van abt Willem van Rijkel, «Manuale abbatis Willelmi», schonk abt Wilhelmus van St-T'rus- den, tev jare 1253, in leen, aan den Heer Hendrik van Veldeke, ridder, een onbebouwd stuk grond gelegen bij Spalbeek, dat een leen was der kerk van St-Trudo : «Anno domini M.CC.LIII in erastino octavarum Epyphanie, concessit abbas Wilhelmus é% feodo domino Henrico de Veldeke militi, terram incultam hac- tenus sitam apud Spalbeke, que est allodium ecclesie Sancti Tru- donis.… » (1). En, vier jaar later, in 1257, heet het, op blz. 326 van gemeld « Manuale », dat abt Wilhelmus een zekere som ontvangt, van den Heer Hendrik van Veldeke, voor een stuk land, deel-uitmakend van de goederen van Spalbeek : « Abbas Wilhelmus recepit.. a domino Henrico de Veldeke, de bonis de Spalbeke, 20 mr. leod » (2).
Zou dit een bewijs wezen dat de familie van Veldeke hare grondbezitting ter plaatse Veldeke-zelf in leen had van den abt van St-Truiden, hetgeen ook blijkt uit hierboven vermelde « foeuda... monasterii St. Trudonis», waarin sprake van « de 34 Y, bonuariis.… apud Veldeke » (Spalbeek) ?
Wel weten wij door een « Registre de la terre et seigneurie de Kermpt », in de tweede helft der XV1I® eeuw, door twee ontwikkelde schrijvers met veel zorg opgemaakt en met veel orde bijgehouden, volgens de Corswarem, dat « le lieu nommé Veldecken avec ses moulins, viviers et prairies y annexés, avec quelques cens, chappons et morte-mains dans Kermpt relèvent d'un seigneur abbé de St-Trond » (3). Bedoelen deze schrijvershier de molendinum en piscarvum, waar van hierboven sprake, en gewagen zij tevens van « de 3445 bonuariis pratorum seu pascuarium » reeds vermeld, die ook aangehaald worden in de handschriften welke op het Staatsarchief te Hasselt berusten (4) en waarin Veldeke ook als plaatsnaam voorkomt?
(1) Manuale abbatis Wilhelmi, folio 9, ter bibliotheek van de Luiker Hoogeschool, mss. nf 282. Vgl. PIRENNE, Le livre de V'abbé Guillaume de Ryckel, Bruxelles, 1896, pp. 34.
(2) Manuale, folio 114; PIRENNE, Le livre de V'abbé Gwllaume,
327
(3) DE CORSWAREM, G. J., Mémoire historique sur les anciennes limites et circonscriptions de la province de Lxmbourg, Bruxelles, 1857, p. 56, note, p. 254 note, evenals p. 257. Vgl. Euc. De SpynN, Dicthon- naire historique et géographigue, Bruxelles, 1924, I, p. 564 : « Le fief de Veldeken qui relevait de la cour féodale de l'abbé de St-Trond. »
(4) Série 6744, Etablissements religieuas : « De bonis de Spalbeke, videlicet de XX XIII bonuariis cum dimidio pratorumseu pascuarium apud Veldeke... » heet het daar in bedoelde registers. Zie verder, de slotblz. van dit hoofdstuk, nota.
EN en
In verband met wat de Corswarem, aan de hand der XVII- eeuwsche schrijvers zegt over de ligging van dat Veldeke op het grondgebied van de vrijheerlijkheid Kermpt, doch als zijnde een aan den abt van St-Truiden onderhoorig goed, oordeelt Kempeneers dat, in vroeger eeuwen, dit leen dan voorzeker evenals Kermpt een heerlijkheid zal geweest zijn, een adellijke bezitting toebehoorende aan de familie van Vel- deke, die er in de 12° en 13° eeuw verbleef, hetgeen ook be- wezen wordt o. m. door het reeds aangehaalde charter van 1264, waarin de naam van een Henricus « heer van Veldeke » voorkomt (1).
De bezitting der Veldeke’s, elders dan te Veldeke zelf, een leen van den Graaf van Loon en de grondbezitting Veldeke dus afhangende van de abdij van St-Truiden; zoodus : de Heer van Veldeke afhankelijk van den Graaf en tevens van den abt, zoo ’t Bormans onderstelde : « Etant seigneur de Veldeke et relevant, comme tel, tout au plus du Comte de Loz, il y a toute probabilité qu'il avait été en même temps investi de la charge de comte et d'avoué de l’abbé à Spalbeke, dont les terres... touchaient au domaine seigneurial de Veldeke.n Tenzij wij met Kempeneers herhalen : « het is ook mogelijk dat het leen Veldeke in de 12° eeuw eene vrijheerlijkheid was, van niemand anders dus afhing dan van den Keizer!» Door de bevindingen van Daris en Hansay o. a. weten wij immers, dat het graafschap Loon zich in den loop der Xe en X1I° eeuw gevormd heeft en dat de graven er een deel van den titel van « alleu » hielden, met andere woorden, als geheel vrije eigen- dom, terwijl het overige grootste gedeelte, hun toebehoorde als. « fief », leengoed afhankelijk van het Keizerrijk. « Pro- priétaires là-bas, il n'exercaient ici qu'un droit de supériorité territoriale. Au cours du XIIe siècle (dichter Hendrik van Veldeke's eeuw) l'existence de leur comté étant menacée par l'expansion du duché de Brabant, les comtes de Looz entrèrent dans la vassalité de l'Eglise de Liége. » Edoch, aldus Hansay, « ils n'avaient inféodé que leurs fiefs et ce n'est
(1) Dit wat de heerlijkheid als bezitting betreft. Nopens de belang- rijkheid van bedoeld oord, uit letterkundig oogpunt, volstaat het te verwijzen naar de Karte zur Deutsche Litteraturgeschichte des Mittel- alters, door Prof. Dr. Prrer geplaatst aan 't slot van ’t derdedeel zijner Höfieche Epik, en waarop de namen Veldeke en Spalbeke vermeld staan, de eenige uit wat wij thans België heeten, naast die van Ánt- werpen, Gent, Yperen en Brugge.
— 62 —
qu'au début du XIIIe siècle qu’ils inféodèrent leurs alleux » (1).
Leenman van de St-Trudo-abdij of van de Graven van Loon, ofwel vazal van den Keizer, wordt slechts eenmaal melding gemaakt van een Heer der heerlijkheid Veldeke, ten jare 1264 namelijk. Wel treft ons echter de naam der bezitting van af het jaar 1195, wanneer voor het eerst een Robrecht van Veldeke vernoemd wordt, en nadien wordt herhaaldelijk gesproken over verscheidene dragers van den naam Veldeke, als getuigen (2) aangehaald, zoowel in akten van Graven van Loon als van Abten der abdij van St-Truiden, en wel uit de jaren 1218, 1233, 1239, 1243, 1247, 1248, 1250, 1251, 1252, 1253, 1256, 1257 en 1264. Benevens de namen Robrecht (1195), Arnoldus (1218) en Floria (1218), wordt steeds een Hendrik van Veldeke als vertegenwoordiger der familie genoemd in de officieele bescheiden sedert 1233 tot 1264 (nl. in 1233, 1236, 1243, 1247, 1248, 1250, 1251, 1252, 1253, 1256, 1257, 1264), zooals verder aangeduid wordt, waar over hunne betrekkingen tot de Graven van Loon, alsmede tot de Paters der Abdij en tot het stadsbestuur van St-Truiden gehandeld wordt.
In Wolters’ korte beschrijving der abdijen van Herckenrode en Orienten, worden o. m. vier diploma’s aangeduid, waar- onder drie van Arnold VI uit de jaren 1236, 1248, en 1251 alle drie door een Henricus de Veldeke (gewis een der af-
(1) Daris, Notices, t. I, p. 429 ; HANSAY, « Les premiers siècle... » Verz. Opstellen, II, 1926, blz. 66.
Waar Daris de verklaring aanhaalt van Graaf Geraard van Loon nopens zijne bezitting : « Seigneur duc (de Brabant), je tiens mon comté de Looz de l'Évôque de Liége », merkt hij op : « J’ignore com- ree quand et comment le comté de Looz est devenu un fief
e l’église de Liége, mais je suis convaincu que ce n'a été ni par le legs d’Arnoul de Valenciennes en 1014, ni par la charte de Henri III de 1040. » Daris, Notices, I, p. 429. Vgl. Lyna’s oordeel met betrekking « au problème de la date de l'inféodation du comté à l'évêché de Liége. Il est très admissible que notre prince reconnaissait déjà cette suze- raineté en 1170, lors de la concession de la charte de Colmont.…. la date probable de l'inféodation du comté à l'église de Liége peut être fixée entre les années 1155 et 1170 » (dus tijdens Veldeke'’s leven), LyYNa, J., « Les bonnes villes du Comté de Looz », in Bulletin de U’ Inste- tut Archéologique Liégeois, t. XLIX, 1924, p. 69. |
(2) Herhalen wij dat, volgens Lyna, de lijsten van de getuigen in de oorkonden vermeld, onze voornaamste bronnen zijn voor het onderzoek nopens « den oorsprong van den adel in het graafschap Loon », en dat « deze lijsten... slechts de namen van de meest voor- aanstaande personnages bevatten ». (LYNA, « De Oorsprong van den adel », in Bulletin de la Sociëté Scientif. et Littér. du Limbourg, XXXVII, 1923, blz. 22-23).
— 63 —
stammelingen of aanverwanten van onzen dichter « Meister Heynryck » onderteekend, terwijl een 4° diploma, van 1264, een Henricus Dominus de Velke vermeldt, die in bezit was van de heerlijkheid Veldeke, en hoofd van het huis (1). Ook mogen wij dan verklaren dat die Hendrik van Veldeke, die een visscherij had te Veldeke en die van edelen bloede wasg, zooals verder aangeduid wordt, hoogst-waarschijnlijk Heer was van dat Veldeke, zijn goed, evenals een Jan van Duras, bijv., Heer was van Duras of gelijk Hartmann van Aue, een van Veldeke’s tijdgenooten en navolgers, zichzelf noemt: « von Ouwe Hartman » of nog « dienstman was er ze Ouwe » (2). Wij moeten immers rekening houden met het feit dat, van af de XIe eeuw, toen de Heeren het eigendomsrecht hadden veroverd van hun heerlijkheden, zij gewoonlijk den naam droe- gen van hun grondbezitting, van hunerf, van de plaats waar zij verbleven. In stede van gewoon-weg Henricus, Arnoldus, heeten zij dan Henricus of Arnold van Veldeke, nagenoeg zooals het nu nog volstaat te zeggen, vooral onder priesters : « Op dezen lijkdienst waren aanwezig : Kermpt, Spalbeek, Schuelen en Curingen », opdat iedereen begrijpe dat de Pas- toors van die onderscheidene dorpen, (hunne verblijfplaats), bedoeld worden (3).
(1) Cfr. WorreErs, Notice sur l'ancienne Abbaye de Herckenrode, p. 81 ; Daris, Cartulaire de l'Abbaye de Herckenrode (Notices, IV) p. 124; BoRMANs, in Bulletin Acad. roy. de Belgique, XXVI, 2e 3, I, pp. 504- 505 ; BOoRMANS, op. cit, pp. 20 et suiv. ; DANIELS, in Belfort, 1886, blz. 194 ; KEMPENEERS, op. cit, blz. 80, 88 ; MANrTELIUS, Hasseletum, blz. 10, evenals Historiae Lossensis, p. 137. Vgl. Worrters, Codex diplomaticus Loesensis, Gand, 1849, pp. 111, 125, 126, 144.
(2) In zijn Armer Heinrich, zegt Hartmann von Aue van zich-zelf : «Der was Hartman genannt, dienstman was er ze (of« von») Ouwe» (vers 5), en in vers 49 van zijn Herr Heinrich : « und was von Ouwe », of nog « von Ouwe Hartman », zoo hij ’t zegt in Gregor, vers 173, evenals in vers 29 van zijn Die Büchlein; in Iwein, vers 29, noemt hij zich « der Ouwaere ». Zóó6 noemt zich ’s dichters bloedverwant, in 1247 : « Henricus dictus de Weldeke ».
(3) BORMANS, op. cit, blz. 1 : « (Veldeke ou Velke) c'est le nom de la Seigneurie ou du domaine in casu recto ». Vgl. Daris, Histoire de la bonne ville, t. I, p. 377 ; KEMPENEERS, op. cit, blz. 77 ; DARIs, Histoire du Diocèse, p. 676. Daarentegen, sprekende over Hendrik van Veldeke, schrijft KoENra (op, cit, blz. 42) : « Sein Name schon deutet auf seine Heimat, denn Veldeke ist die niederdeutsche Ver- kleinerung von Feld. » Vgl. Patria Belgica, t. III, chap. XXIX, «Art héraldique», door Eua. GENs: « L’adoption des noms de famille et Padoption des armoiries sont deux faits contemporains et corrélatifs. Tous deux sont la conséquence du grand fait historique de 1’ hérédité des fiefs » (blz. 735).
in BAb en
Wat nu onzen Limburgschen dichter betreft, niet alleen hij zelf noemt zich « Heijnryck die van Veldeken war geboren » (St-Servatius, II, 2920), of nog : « dat was van Veldeke Hein- rich» (Eneïde, v. 13433),—ook zijn tijdgenooten en zijn na- volgers kennen hem slechts onder dien naam : Gotfried von Strassburg roemt den wonderen minnezanger « Von Veldeke Herr Heinrich » (vers 4724 van Tristan), Rudolf von Ems begroet « Von Veldeke der wîse » in zijn Wilhelm van Orlens (vers 22) en, in zijn Alexander, prijst hij :
Von Veldeke der wîse man der rechter rîme alrerst began (vers 39).
In het latere gedicht, uit het midden der XIV® eeuw, Der jöngere Titurel, wordt nog gesproken « von Veldeke meister und herre (vers 4831), nadat een van Veldeke’ s eerste volgelingen, Herbert von Fritzlar, zich, in zijn Troja-sage, Eneas’ lotgevallen herinnert « wie Meister Heinrich von Veldeke gelehrt hat » (verzen 17371 vlgn.).
Alzoo werd dus de Loonsche zanger genaamd naar zijn geboorteplaats, naar zijn vermoedelijk leen. Buckle trouwens beweertzelfs dat wij de eerste«surnames», de eerstezoogezegde familienamen in de X® eeuw aantreffen (1), dus vóór Veldeke’s geboorte, hetgeen ook wordt voorgestaan, o. m. door Sis- mondi (2), Hallam (3), Monteil (4) en Petrie (5), alhoewel nochtans als een algemeene regel geldt, vooral voor onze landen, dat de edelen slechts van af het einde der XI° eeuw begonnen zich te noemen naar hunne bezittingen. Immers, de eerste acte voor Luik, waarin de familienamen voorkomen, dagteekent uit 1096 : « les lasci nobiles y sont, pour la première fois, désignés par le nom de leurs terres. Dans les chartes antérieures, nous ne trouvons que des prénoms», aldus Lyna (6) die er daarenboven terecht op wijst dat de ‘beschaving te Luik een aanzienlijken voorsprong had op die van Loon.
(1) BucELE, op. cut, p. 349.
(2) SismoNpiI, Histoire des Frangaie, Paris, 1821-1844, vol. III, pp. 452-455.
(3) HALLAM, Europa during the Middle Ages, London, 1846, vol. I, p. 138, (4) Mone, Histoire dee divers Etats, Bruxelles, 1843, vol. III, p. 268.
(5) Perre, Ecclesiastical Architecture, Dublin, 1845, pp. 277,342.
(6) J. LvNa, « Les Hominee de Casa Dei du très ancien droit liégeois », in Leodium, XVII, 1924, p. 35.
ENDE
Een Hendrikus van Veldeke, die « ministerialis», «dapifer » van den Graaf van Loon en van adellijk geslacht was en zich, in 1264, betitelt « Henricus, Miles, dictus de Veldeke », was dus Heer, « dominus » van dat Veldeke, aldus vermeld naar zijn goed, zijne bezitting, zijne heerlijkheid.
Op het leen Veldeke vanwaar ook hij zijn naam houdt, werd onze Limburgsche dichter « Meister Heinryck » geboren tus- schen de jaren 1126 en 1128 zooals vrij algemeen wordt aan- genomen (1). Daar zullen zijn ouders hem wel zonder veel praal ofte vertoon opgevoed hebben, zoo 't een edelman, uit die eeuw, zijn kinderen deed ; hierover werd, tot heden toe, niets met volstrekte zekerheid vastgesteld.
Buckle getuigt desaangaande, in de bespreking der middel- eeuwsche ridders in ’t algemeen, dat de eerste grondbeginselen, die als noodzakelijk werden beschouwd, onderwezen werden in de scholen door de edelen betoelaagd, en dikwijls op hun eigen ridderlijke kasteelen. Prof. Kalff evenwel beweert in zijn verhandeling over de Literatuurgeschiedschrijving : « Met onze kennis der geschiedenis van opvoeding en onderwijs en van het zedelijk leven onzer middeleeuwsche voorouders is het jammerlijk gesteld, tenauwernood zijn de eerste stappen op deze velden van onderzoek gesteld. »
Zonder te fantaseeren over Veldeke’s jeugd en eerste op- leiding, over zijn dichterlijke bewustwording ende inspiratie, zoo ’t b. v. M. Koenen doet over Veldeke's « Roeping », mo- gen wij toch op Hendrik van Veldeke toepassen, het vers van Ten Kate : « Slechts daar kent gij de menschen, — Waar gij de kinderen kent », omdat het een diepen psychologischen ondergrond heeft, vooral waar het dichters geldt. En wanneer men bedenkt dat de eerste opvoeding van het kind op moe- ders schoot genoten wordt en deze groote scholing de eerste karakterplooi voor ’t leven legt in ’t jeugdig kinderhart en het ontvankelijk gemoed bebouwt tot een rijken, vruchtbaren akker, waar moeder-zorgen -vroom vele kiemen plantten en wiedden menig woekerkruid, dan mogen wij wellicht ook op van Veldeke toepassen hetgeen Laura aan Petrarca vroeg,
(1) Natuurlijk bestaan geen inlichtingen over den datum van Vel° deke’s eventueelen doop. ers, aldus CALMETTE, op. cit, blz. 177 : « Il ne semble pas que l'on ait songé avant le XV® siècle à tenir dans les paroisses des livres de baptême, tandis que des livres de mariages et de décèssont déjà signalés au XIV® siècle. Ces utiles registres, d'où devait naître, par laïcisation, l'état civil moderne... »
— 66 —
toen zij hem in een droom verscheen na haar dood en hem sprak over zijne moeder : « Herinnert gij u niet meer deze die uw kindsheid heeft beïnvloed en u van de alledaagsche levensbaan heeft afgeleid? » En wanneer wij ondervinden dat de tien eerste levensjaren den akker beploegen, den akker vormen waarin het leven van den man-op-leeftijd al zijn wortelen schiet, dan beseffen wij dat Veldeke’s hart, — « mi- crocosmos.… een wereld in ’t klein, want dichter-hart, — waar- mee deze Spalbeeksche ridder-zanger later zijn levens-ideaal zal hóóg-houden, daartoe hier een gunstig uitgangspunt vinden moest.
Welke kracht moest Meester Hendrik later niet putten in de rijke en levendige blijmoedigheid zijner jeugd, die zich uitjubelen zal in de luide scherzo’s der vreugd, nog juichend, blij-moedig, al-door de weemoedige adagio’s der smart, wen ’t harte kreunt en ’t lichaam, oud en stram, lijdt onder ’t nij- pen van den Winter : Winter van de natuur en van den ouden dag! «Aan menig hart doet de koude winter weê — die woud en ook de heide heeft overwonnen » (1). Zijn optimisme, spijts ontgoocheling hem berokkend door de Geliefde die hem had « missetrosset » en zijn hart treurig stemde, wordt roze-kleurig getint en feestelijk opgewarmd door ’n laten straal van hel- deren zonneschijn die, in zijn jeugd, dicht bij moeder, speelde over rimpelende waters bij den molen, op den Demer, of in den kalmen vliet, der « Visscherij van Veldeke » en over vreedzame bloemen der heide « mit ir gruener varme kleide », haar kleed van groene kleur, waar, rondom 't ouderlijk slot, nabij den molen,
die blômen springen ane der heide, die vogele singen in den walde. (III, 2.)
De herinnering aan dezen leeftijd zal hem gewis niet weinig vroomgestemd hebben toen hij, den « ongelerden luden » oprecht genegen, tot stichting ende exempele, het wondre leven verhaalde « van de grote heer van Triecht », zijn patroon St-Servaas ; terwijl mogelijk, in zijne Eneïde, een verre nagalm echoot van ridderlijke tornooien, jachten en gevechten…. zoo ’t wel eens een troubadour (2), in zijn jeugd,
(1) Zie verder, hfst. V, Veldeke’s Minneliederen. (2) Over Eneas’ « speleman », cf. b. v. Eneïde, vv. 6216-6219 : « he gebôt, dat sî dâden here trôiske spele, seltsâne ende vele, der man dâ niet enplach. »
ND
— 67 —
op vaders burcht mocht verteld hebben, waar de luistergrage knaap, Hendrik van Veldeke, misschien de eerste genster van dichter-vuur in zijn jeugdig meevoelend hart ontbranden voelde, het eerste minnelied verre horizonten vóór zijn droo- mend oog open-blauwen deed…
Het mag wel opvallend genoemd, dat nimmer in de ver- handelingen over Veldeke’s persoon gewag gemaakt wordt van de collegiale van Loon en de aldaar gevestigde school. Volgens Daris nochtans : « il est indubitable que l’évêque, qui a érigó l’église paroissiale et collégiale, (avant lan 1047) y a également établi une école, dans laquelle les jeunes ólèves, les enfants de choeur et les autres furent instruits dans les lettres latines » (1). Niets bewijst nochtans dat de weetgierige knaap uit het Loonsche, na mogelijk de eerste grondbeginselen der grammatica aan den ouderlijken haard geleerd te hebben, « totter scolen geset » werd in St-Odulfusschool te Loon, voor ’t onderricht in de Latijnsche taal die hij zoo grondig kende, zooals blijkt uit zijn vertaling der « Vita Sancti Ser- vatii ». Wáár hij zijne studies voortzette, is ons evenmin bekend, want het is nog geenszins zonder eenigen twijfel bewe- zen dat Hendrik van Veldeke (zoo 't Daniëls giste) : « of door zijn ouders te Maastricht aan de school van St-Servaas'’ kerk werd toevertrouwd of door eigen trek en lust naar Maas- tricht ging om zijne opvoeding te verzorgen en er kennissen te vergaren » (2). Wel is waar, wijst Te Winkel er op hoe toentertijde ieder, die liefde voor de en gevoelde, te Maastricht als vanzelf in aanraking werd gebracht met het- geen wij wel de wereldliteratuur van die dagen mogen heeten, en onderstelt hij tevens, dat Veldeke waarschijnlijk een deel van zijn leven te Maastricht doorgebracht heeft (3), al ge- waagt hij volstrekt niet van zijn schoolgaan aldaar.
(1) Daris, Histoire de la bonne ville, I, p. 133.
Over het onderwijs in die tijden, raadplege men o. m. STALLAERT et VANDER HAEGEN, op. cit, t. XXTII, p. 96 ; PIRENNE, Histoire de Belgique, t. I, Bruxelles, 1909%, pp. 155 et suiv.; Daris, Notices, Liége, 1876, t. VIL, pp. 183 et suiv., over de kapittei- en parochiale scholen ; Daris, Histoire du diocèse, I, pp. 655 et suiv. ; VAN NEus, « Apergu historique sur le Collège de St-Quentin à Hasselt », in Bulletin des Méloplules, 1, p. 33 ; SAINT-Forx, Essai sur Paris, t. III, Paris, Ee pp. 339 et suiv., evenals Te WINKEL, Maerlante werken…,
z. 295.
(2) D. J. M. (DANreLs), in De Onafhankelijke, 30 April 1911, 2e blad. « Hendrik van Veldeke », 2° vervolg.
(3) Te WINKEL, Rede uitgesproken op het XXXI° Congres te Maes- bricht, 1910 ; overdruk blz. 4-5.
BR
Zouden wij ons nochtans niet mogen afvragen of de latere vertaler van de St-Servatius-legende en van de Eneïde, de gevierde Minnezanger, als zoon van een vermoedelijken, leen- houder der abdij van St-T'rudo, uiet te St-Truiden werd ont- wikkeld, waar men, volgens den schrijver der aloude « Histoire littéraire de France » (1) « joignait, (au X1Ie siècle), la culture des beaux-arts à celle des sciences », en waar, gedurende Veldeke's leven, twee zijner tijdgenooten, wederzijds van 1107 tot 1136 en van 1136 tot 1180, werkten aan de door abt Rodulphus begonnen « Gesta abbatum Trudonensium? » In zijne bespreking der ridders van Veldeke als waarschijn- lijke vazallen der St-Trudo-abdij, vermoedde overigens prof. Mone, reeds in 1830, dat de geestelijke stof zijner Servaas- legende evenals het klassieke onderwerp van zijne Eneide, aan onzen dichter wel kon bezorgd geweest zijn door de mon- niken van St-Truiden : « Diese Vermuthung wird bestärkt durch den Umstand das Veldeke die Legende vom St-Servatius von Maestricht gedichtet hat, denn diese Stadt liegt nur 6 Stunden von St-Truyden, und solche geistliche stoffe, so wie den klassichen der Eneït konte der Dichter doch wol nur von Mönchen erhalten haben » (2).
Dit zou ons dan ook verklaren waarom, ondanks zijne ridderlijke afkomst, naar Behaghel's woord « seine Bildung und seine Stellung geistlicher Natur gewesen » (3). Daar, te St-Truiden, zou hij dan dit taal- en letterkundig onderwijs genoten hebben waarop gewezen werd door alwie het « Vel- deke probleem » onderzocht hebben en zijne kennis van het Dietsch, het Fransch, het Latijn evenals van de Oud-Duitsche literatuur roemden (4). Zijne scholing te St-Truiden, zou ons mogelijk ook verklaren waarom hij, nog betrekkelijk jong, zijn vrome St-Servatiuslegende berijmde, dan wanneer, ge- woonlijk, een dichter in zijne eerste periode minder stich- telijke onderwerpen aanvat; zijn christelijke opvoeding en het bestudeeren der godsdienstige werken en der kerkelijke geschiedenis, zouden ons ook toelaten uit te leggen waarom, in
(1) Aangehaald door Daris, Histoire du Diocèse, I, p. 703.
(2) Mone, Quellen und Forschungen, I, S. 252 ff. (Maestricht ligt echter op iets meer dan 9 uren van St-Truiden).
(3) BEHAGHEL, op. cit, S. cLIx ; vgl. MARTIN, Anzeiger, I, S. 223 : WAOKERNAGEL, Literatur- Geschichte, 2, S. 125 ; GourmER, Die Deutsche Dichtung im Mittelalter, Stuttgart, 1912, S. 173.
(4) Zie verder, laatste hfst., Besluit.
— 69 —
zijn Eneïde (vers 13465), Veldeke zich-zelf « Meister-Heinrich » noemt (1).
Dit zijn niettemin slechts onderstellingen, en evenmin als nopens zijn schoolloopen te Loon, Maastricht of St-Truiden weten wij iets bepaalds aangaande zijne studie van het « walske », te Luik, tijdens Veldeke’s jeugd nog « cité célèbre entre toutes, par l'étude des lettres », naar Ekkehard d’Urauge getuigde (2), en Lambrecht Lambrechts bewees ook zijne bewering niet betreffende 's dichters volgen van de cursussen ter Parijsche Universiteit (3).
Weten wij niets stelligs over Veldeke’s opvoeding en onder- wijs, onze kennis van zijn huiselijk en maatschappelijk leven is al even gering.
Evenals op de overige burchten en versterkte huizen, in onze gouwen, werden ook op het ouderlijk erf te Veldeke gewis, naast het jachtvermaak, zang en spel in eere gehouden ; mogelijk bracht er af en toe een rondtrekkend minstreel zijn uitheemsche, waarschijnlijk Fransche liederen ten ge- hoore, tijdens Hendrik’s jeugd, toen hij, « seriant, scone, amoureus ende achemant », misschien leerde « hovesc sijn », om later, aan ’s graven hof, als hoveling zijn heer waardig te kunnen dienen (4).
Wat echter het maatschappelijk, huiselijk en individueel leven der bewoners van deze streken betreft (5), roept Kalff in zijn « Inleiding tot de Studie der Literatuurgeschiedenis (blz. 253) » uit : « hoe schamel is onze kennis ook van deze
dingen ! »
(1) Zie verder, over de beteekenis van den titel « Meister. »
(2) Chronicon, ad. an. 1117. Daris, Histoire du Diocèse, TI, p. 655. Vgl. ook PRENNE, Histoire de Belgique, I, blz. 165-156, over de be- langrijkheid der Luiksche School, reeds in de X° eeuw; evenals CHAPEAUVILLE, Gesta Pontificum Tungrensium, Trajectenstum et Leodiensium, (Leodii, 1611), t. I, pp. 218-219.
(3) L. LAMBRECHTS, « Hendrik van Veldeke », in Muziekwarande, l Jan. 1926, nf 1, blz. 6.
(4) Over het Hervortreten der Persönhchkeit des Dichters, voorna- melijk in zijn Eneîde, cf. o. m. BEHAGHEL, op. cît., blz. cLxxrv ; ROET- TEKEN, op. cit, blz. 195-197 ; FarrLy, op. cèt., blz. 26-40.
(5) Karrr, Geschied., I, blz. 66. Vgl. J. CALMETTE, op. cèt., pp. 146- 148 ; J. Te WINKEL, Het kasteel in de XIII® eeuw, geschetst volgens de gedichten van dien tijd, Groningen, 1879 (Bijlage tot het Programma van het Stedelijk Gymnasium te Groningen voor het jaar 1879-1880).
— 70 —
Wel is waar weten wij zeer weinig nopens de persoonlijk- heid van « Meister Heinrich » ; aangaande het openbaar leven echter der van Veldeke's uit de XIII® eeuw, hoogstwaar- schijnlijk ’s dichters bloedverwanten, zijn ons wel eenige bijzonderheden bekend, voornamelijk met betrekking op hun- ne verhouding tot de Graven van Loon, hunne leenheeren.
Indien reeds in de XII® eeuw een « Robertus de Veldeca » als getuige optreedt in een charter van Graaf Lodewijk en in 1218 een Arnoldus de Weldeke (samen met den pastoor van Hasselt : « Wilhelmus persona de Hasselt ») in die hoe- danigheid vermeld staat in een akte van Graaf Arnold (1), komt naderhand, in 1236, een « Henricus de Veldeke » voor als getuige in een oorkonde waarbij bepaald wordt dat de Graaf van Loon, aan de abdij van Orienten, 28 bunders on- leenroerig land afstaat, gelegen te Schakebroek onder Wuest- Herck (2), terwijl ten jare 1239 eveneens een « Henricus de Veldeke» als « ministerialis» van den Graaf vernoemd wordt, in een document van Arnold, Graaf van Loon, en een « Hen- ricus de Veldeke », «dapifer Comitis de Los», hofambtenaar van het graafschap Loon, de echtheid van eene overeenkomst uit het jaar 1247 (3) mede-garandeert.
En, waar ten stelligste blijkt uit andere bescheiden, door Graaf Arnold van Loon gegeven, dat telkenmale een Henricus de Veldeke aanwezig was: in 1248, toen de Graaf zekere goederen veranderde in vrij-erfleenen ten voordeele van de abdij van Herckenrode (4); in 1251, wanneer Arnold aan deze abdij een woud verkoopt gelegen te Bucksenrade onder Genck (5) ; in 1252, bij den verkoop, aan de abdij van Orienten van 78 bunders onbebouwden grond, « Wildert » geheeten, liggende te Rummen (6), en eindelijk in 1264, als de Graaf
(1) Cf. Mantelius’ Hasseletum, blz. 10, evenals in diens Historvae Lossensis, blz. 126-127. Vgl. Worrters, Codex, p. 98 en Notices, pp. 66-68.
OEE Notice sur la commune de Rummen, p. 277. Vgl. Codex, p. f (3) Daris, Cartulaire, p. 122.
(4) Daris, Cartulaire p. 48 ; WoLrErs, Notice sur DV Abbaye de Her- ckenrode, p. 19 (n° 17). Vgl. Codex, p. 125.
(5) Daris, Idem, pp. 52-53 ; REUSENS, op. cit, p. 255.
(6) Worrers, Codex diplom, p. 126 (n° 238); WorLtErs, Notice, Rummen, p. 281. Het heet daar : « H. de Veldebre, militis fidelis nostre amict militis de Here, et R. militis de Rulinghem.…. »
read
zn Ten
van Loon van alle leenrecht ontslaat de 30 bunders in het bezit van de abdij van Herckenrode, te Cortessem, de rente gemaakt op den molen, door Bolle van Nederheim en Constel van Schoonwinkel gehouden, op het gebied van Winters- hoven (1), — mogen wij dan met Kempeneers besluiten : « Het feit dat de van Veldeke’s als getuigen optreden in zoo- vele belangrijke acten, die door of voor de grafelijke familie werden opgemaakt, bewijst dat de familie van Veldeke in nauwe betrekking tot het graafschap en in hoog aanzien aan het hof moet gestaan hebben » Zoo ook weten wij, door ’s dichters eigen getuigenis, dat
hij-zelf zijn St-Servaas geschreven heeft :
En ouch doer der Gravinnen bede
Van Loen, aynre liever vrouwen,
Dies hoem bat mit trouwen, Doer mynne, want des luste haer. (I, 3236-3239.)
of nog, zoo hij ’t zegt aan ’t slot van ’t tweede boek :
Des maecte hij (Heynrijck van Veldeke) hem dit ter eeren Doer ghenade ende doer mynne
Des hoem ouch bat die Gravynne
van Loen, die edel Agnes. (II, 2924-2927.)
En, indien hij betrekkingen aanknoopen kon, o. m. te Kleef met de gravin (Margaretha?) van Kleef (2) en te Thüringen met den paltsgraaf, mogen wij hieruit wel afleiden, dat Meister Heinrich van Veldeke hiertoe gewis niet weinig zal geholpen geweest zijn door zijne verhoudingen tot Graaf Geraard van Loon, zijn vermoedelijken leenheer, maar vooral dank zij de Gravin van wie de dichter bekent dat zij zijne « Vrouwe », zijne beschermvrouwe was :
ensndnaedecd die gravynne van Loen, die edel Agnes.
Dit alles bewijst wel duidelijk dat Hendrik van Veldeke, evenals trouwens de van Veldeke’s zijne nazaten uit de XIIIe eeuw, « personna grata » was aan het hof van Loon, zonder dat wij ook met Marie Koenen fantaseeren over ’s dichters vriendschappelijke verhouding tot « die edel Agnes », noch over diens hopelooze liefde voor Agnes’ dochter !
(1) Worrers, Notice, Ab. Herck, pp. 81-82, evenals Worrers, Codex dipl., p. 144, (n° 261). Zie hierboven blz. 31. De opsomming der getuigen eluit met de woorden : « et alii quam plures homines vasalli ac fideles nostr; ».
(2) Dat deze gravin, Margaretha heette, werd, nà Behaghel, vrij- algemeen nagezegd, alhoewel zulks geenszins bewezen. is.
mm an
Wij zullen nu niet onderzoeken of Heynrijck, de Spalbeek- sche ridder-dichter, tot een tamelijk machtige en vrij aan- zienlijke adellijke familie behoorde, zooals ’t Kempeneers vooruitzet of slechts tot den kleinen adel en niet den grooten, zoo ’t Dr. Cosemans beweert (1). Al verklaart ook Daris dat men niet weet of hij van adellijke ouders geboren is ofwel hij-zelf door Graaf Lodewijk tot den adel verheven werd (2), zijn aristocratisch gevoelen echter blijkt uit menig vers van zijn Eneïde (3), vooral waar hij bijvoegt wat niet in zijn Fransch voorbeeld staat, zooals trouwens ook zijn hoves sin vaak tot uiting komt, (4) en bijzonder de woorden ministerialis et nobilis sluiten elkander niet uit, d. ì. « een ministerialis kan een nobilis zijn, en omgekeerd » (5).
Al meent ook Dr. Jonckbloet dat van Veldeke « waar- schijnlijk van edelen bloede » was, dat hij een edelman was, zoowel als zijne bloedverwanten der XIII® eeuw, daar valt niet aan te twijfelen. In de oude oorkonden, heeten de van Veldeke's « Miles », ridder, bijv. in een reeds aangehaald charter van 1253, waarin sprake is over een « Henricus de Veldeke » die tevens « comes et advocatus », « graaf en voogd » der Abdij was; « Dominus de Velke» of « Dominus de Wel- deke », Heer van Veldeke, luidt een document van 1264. In een akte van 1239, wordt een Hendrik van Veldeke « mi- nisterialis », dienstman, officier, ambtenaar van den Graaf van Loon vermeld en in een ander, uit het jaar 1247, komt een naamgenoot van onzen eersten Nederlandschen dichter voor als « dapifer », waardigheidsbekleeder, intendent van den Graaf, die hem wel eens « fidelis noster » onze getrouwe noemt.
Gewis, waar een Hendrik van Veldeke in de oorkonden o.a. van 1250, 1251, 1253, 1256 en 1257, « ridder » — « miles »— wordt betiteld, dient daaronder niet verstaan, in algemeenen zin, de ridder die de gansche middeleeuwen door optreedt als de krijgsman bij uitnemendheid, de soldaat van beroep en voorzeker niet een eenvoudig soldaat, ook wel eens « miles » genaamd. Over ’t verband van ridderwezen en adeldom — hetgeen dan ook wel eenigszins toepasselijk is op van Vel-
(1) Dr. A. CospMANS, «Hendrik van Veldeke », rege ver- schenen in het maandschrift Limburg, jrg. VIII, n° 2, blz. 3
(2) Daris, Histoire du Diocèse, I, p. 676.
(3) Eneide, o. a. verzen 1292, 2856, 5300, 5325-5335.
(4) Enerde, verzen 6060- 6065, 8570- 8573, 9130-9170.
(5) J. LyNa, De oorsprong van den adel…, blz. 27.
m_ 13 —
deke « miles », « dominus de Veldeke », — zegt Buckle : « In the first place, chivalry was so highly aristocratic, that no one could even receive knighthood unless he were of noble birth ». En getuigt Sismondi : « L'ordre de chevalerie n’était accordé qu’aux hommes d'un sang noble », Van der Essen verklaart nochtans : « Men kan ridder zijn zonder leenheer te zijn, ridder zijn zonder edel te zijn ».
Wat er ook van zij, volgens Lyna, was «la fonction des ministertales.… d'ordre aulique, administratif, militaire et domanial.… Certains parmi eux sont des hauts fonctionnaires de cour. Les plus hautes dignités du pays leur sont réservées. Ce sont des sónéchaux, des camériers, des bouteilliers, des pannetiers, des châtelains, mais en même temps ils consti- tuent le conseil du prince. ». Wat den titel van « dapifer » betreft, herhalen wij met Kempeneers : « Het waren immers vooral de leenhouders zelven van den Graaf welke de rol van beambte of waardigheidsbekleeder vervulden aan het hof ».
Ook begrijpen wij wat de geleerde Daris schreef aan dien anderen wel-onderlegden, onverpoosden zoeker in Limburgs archieven, den E. H. Daniëls : « Les Veldeke me paraissent avoir possédé une dignité à la Cour des Comtes de Looz et eette dignité pourrait bien avoir été un fief héréditaire dans leur famille », vermits — aldus Lyna — « tijdens de 11° eeuw de minsstertales reeds de erfelijkheid van hun ambt bevochten hadden » (1). Dit zou ons ten andere niet verwonderen, in- dien wij Calmette's oordeel gedenken nopens het vergelden van bewezen diensten : « De plus la consolidation du bénéfioe a suivi un rythme analogue à celui du précaire ; sous sa forme définitive, il s’appellera couramment le tief » (2).
Wat overi gens de erfelijkheid van zoo’'n waardigheids- post aan het hof van ’n Graaf betreft, gaat Buckle t’ akkoord met Hallam ; Dalrymple houdt er geene andere meening op na dan Klimrath, en Daris’ zooeven aangehaalde onderstel- ling wordt m. i. gestaafd door Buckle’s uitspraak : « by the eleventh century most of the great offices had become here- ditary in the leading families »; kortom — aldus Van der Essen — sedert de X® eeuw zijn de afstammelingen van eenen edele edelen erven ze den vaderlijken titel over (3), dit
(1) J. LyNa, « De oorsprong van den adel in het graafschap Loon », in Bulletin de la Société Scientif. et Littér. du Limbourg, 1923, blz. 21, evenals, J. id nek ‚ blz. 248, 257.
(2) J. CALMETTE, op. cit,
(3) BuckLw, op. Di "345, V gl. HArrAm’ Ss Supplemental Notes to Europe during the M le A ges, Eeen 1848, pp. 97, 98; Dar-
Vel 6.
din
althans ook nog voor de XIIe eeuw wellicht, dus Veldeke’s eeuw.
Nopens den titel van « dapifer » en diens overerfbaarheid, zouden wij, voor onzen « dominus de Veldeke, » misschien deze verklaring uit Calmette's werk La Société féodale, kunnen herinneren, met betrekking op la higrarchie seigneursale : « Au-dessous du comte apparaît le vicomte, ancien subor- donné du comte fonctionnaire des temps carolingiens. Le « châtelain » est le même que le « sire » ou « seigneur » (en latin « Dominicus»). Il peut descendre soit d'un ancien agent comtal ou vicomtal préposé à la garde d’un château, soit de quelque aucien alleutier, bâtisseur de son propre château et en ayant fait hommage. »
Alhoewel nochtans niet met stellige zekerheid bewezen wordt dat onze dichter — evenals zijne bloedverwanten — een ridder was, een waardigheidsbekleeder aan ’t hof van Loon of Heer der heerlijkheid Veldeke, faalt Jonckbloet in alle geval waar hij (zelfs nog in den vierden druk zijner « Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde») over « Meis- ter Heinric » schrijft : « denkelijk was Veldeke geen ridder, daar hem de titel van Heer nergens gegeven wordt» ; dit be- wijst o. m. het vers van Gottfried van Straszburg, in diens Tristan und Isolde, gedicht kort na Veldeke’s dood :
Von Veldeke Herr Heinrich
Der sprach aus vollen sinne !
Wie wohl er sang von minne! (VV. 4724-4726.) En noemt ook de grootste zanger der Duitsche Middeleeuwen, Wolfram von Eschenbach onzen Limburgschen ridder-zanger niet : « hér Heinrîch von Veldeke » (Parsifal, 292, 18), terwijl in ’t zeer geprezen poëem Der jäüngere T'iturel, omstreeks 1350, gewag gemaakt wordt van « von Veldeke meister und herre » (vers 4831), en deze « Meester » in ’t Parijzer Handschrift eveneens als « her » vermeld staat.
Gewis, het is dikwijls moeilijk na te gaan, waar wij namen in de oorkonden ontmoeten, of zij al dan niet tot den adel moeten gerekend worden. Zelfs wordt door bevoegde vor- schers vooruitgezet dat wij dan ook slechts zelden het praedi- caat van Heer : « Har » of «Hêr», «Herr» ende «Herre» vóór
RYMPLE's History of Feudal Property in Great Britain, London, 1758, p. 21; H. KumrarH's Travaur eur U Hestoire du droit frangais, Paris, 1843, vol. I, p. 74 ; VAN DER ESSEN, op. cit, blz. 146 ; J. LvNa, « Les «Liberi et les Nobiles », in Leodium, 1926, t. XIX, p. 96.
EN Nn
den naam, waarschijnlijk alleen vóór den oorspronkelijken leenadel vinden (1).
Waar wij dus zoo dikwerf de van Veldeke's — de ver- moedelijke nazaten van den XII-eeuwschen dichter als « Heer » vermeld zien in de alleroudste akten, en meester Hendrik zelf in de gedichten van zijne volgelingen, kunnen wij hieruit toch ook wel zeker afleiden dat de Spalbeeksche zanger, mogelijk als hoveling der Graven van Loon, ten minste een aanzienlijk man, ja tot den adel, hoogstwaarschijnlijk zelfs tot den oorspronkelijken leenadel behoorend, « Here » mocht genoemd worden.
Prof. P. Piper, Karel Goedeke en Jan Ten Brink ontmoeten elkaar in dit opzicht, vermits de eerste oordeelt dat «der Titel «hêr» kam ihm (von Veldeke) zu, wegen seiner ritterbürtigen Herkunft », Karel Goedeke evenals Koenig en von Leixner hem een afstammeling noemt « aus ritterlichem Geslechte », en Jan Ten Brink zoowel als Behaghel besluit : « Dat zijn rang algemeen erkend werd, blijkt uit den titel van « Here » waarmee de groote Beiersche minstreel Wolfram von Eschen- bach hem vermeldt ». En neemt zelfs Jonckbloet aan, dat van Veldeke « wellicht tot het adellijk geslacht van dien naam behoorde. », dat hij « waarschijnlijk van edelen bloede » was, Prinsen en vooral Te Winkel zijn uitdrukkelijker : Prinsen noemt onzen eersten Limburgschen troubadour « een edelman en een die als dusdanig voelt », terwijl Te Winkel zegt dat onze oudste Nederlandsche zanger « gesproten is uit een adellijk geslacht ». Ook Prof, Kalff noemt hem een « Limburgsch edelman », en behandelt zelfs de vraag « of er te onzent, behalve Heinric van Veldeke, adellijke me- nestrelen geweest zijn ».
Trouwens, minstreel Heynrijck van Veldeke's wapen en helm, en vooral zijn portret dat, in miniatuur, in een vroeger te Parijs in de « Bibliothèque nationale », thans te Heidelberg berustend handschrift (het Manessische of Heidelberger Hs.) staat, bewijzen dat « Heynrijck—die van Veldeken geboren was », tot de klas der ridders behoorde, hetgeen eveneens blijkt uit het zegel van zijn nazaat, door Daniëls terug-
(1) Anderzijds wordt wel eens betwijfeld of de titel meer dan epitheton was, waarop ieder lid der hoofsche gemeenschap aanspraak maken kon, zelfs gedragen werd door menschen dieniet eens van ridderlijken oorsprong waren. Cfr. o. m. BURDACH, «W. von der Vogelweide», in Phibolog. und histor. Forschungen, Leipzig, 1900, 1. Teil, SS. 4-5.
a B zn
gevonden op het Staatsarchief te Hasselt (afdeeling «Chartes Herckenrode »).
Deze miniatuur (wat gelijkend op de afbeelding van Walter von der Vogelweide (1), Duitschland’s geliefden minnezanger, eenige jaren na Veldeke overleden), stelt onzen Spalbeekschen zanger voor, gehuld in een langen mantel, tot over de voeten reikend en gezeten op een kleinen heuvel, waarop klaverkens wassen en — bezijden, vóór en achter den stillen droomer, — allerhande bloempjes bloeien. Het mijmerend hoofd is om- kranst door met perelen versierde dikke haarlokken en de baardelooze wang rust in de linkerhand, wijl zijn linkerarm op de knie steunt; den wijsvinger der rechterhand houdt hij gericht op een perkamenten rol vóór hem gansch ontrold, in een grooten boog tusschen de bloemen: zijn minne- en natuurgedichten geïnspireerd in zoo’n poëtisch milieu !?. Blij-fantaseerend blikt hij naar de vele bloemen en klaver- bladen en naar de vogeltjes van diverse pluimage die naast en vóór en boven hem fladderen, terwijl op zijn schouder een zwart eekhoorntje dartel-trippelvoet en achter hem een ooievaar filosofeert : schalksche levenslust en hooge ernst ; lente-zangen en humoristisch hekeldichtje ; terzelfdertijd mid- deleeuwsch hoofsch minne-lied en vrome Servatiuslegende ; ridder-verheerlijking, beschrijving van tornooien, monologen en tweespraken over de liefde alsmede stichtelijke, christelijke vermaningen in de ééne Eneïde ! — In de bovenruimte der miniatuur staan, rechts van hem, een wapenschild, links een helm met helmdekken en helmteeken. Het schild is schuins geplaatst en voert, schuins-gedeeld : boven, goud ; onder rood. De helm met oog- en neusgaten draagt als helmteeken een koker breed opgaand waarop de kleuren van het schild wor- den herhaald, en waaruit een bos van pauwenveeren opwaaiert.
Zóó staat daar afgebeeld de minnelijke zanger der natuur, ontwakend in de Lente ; de verheerlijker van de edelen, zijns gelijken : « Her Heinrich » zoo hem Wolfram von Eschenbach en Gottfried von Straszburg noemden in hun gedichten ; « Meister Heynrijck » zoo hij zichzelf noemde : de meester- zanger van de Minne en van de Mei !
(1) Zie een pracht-afdruk in kleuren der miniatuur van W. von der Vogelweide op de titelplaat van OTTO VON LEIXNER's Geschichte der Deutschen Literatur, Leipzig, 1916°. Vgl. R. KoENra, op. eit, blz. 173. Het gezicht van Veldeke (volgens zijne miniatuur) gelijkt ook tref- fend op dit van Neidhart von Reuenthal, evenals op dit van Her Len- told von Seven, — volgens de afbeeldingen in SALZER's Illustrierte Geschichte der Deutschen Literatur, Nrs LXXXT en ALV.
— 77 —
Behalve in Kraus’ uitgave der Miniaturen van het Manes- sische Handschrift en in Rob. Keenig's Geschiedenis der Duitsche Literatuur (blz. 44), staat deze Veldeke-beeltenis oa. in Lindemann's «Geschichte der deutschen Literatur» (I, blz. 216, tafel 5), in de « Geschichte der Deutsche Lite- ratur » door H. Kurz (I® deel, blz. 328) en in die van Dr. Salzer (I, blz. 222), alsmede in « Der Minnesang des 11. bis 14, Jahr- _ hunderts », door Dr. Fr. Pfaff (blz. 27). In de rijk-geïllustreerde Geschiedenis der Nederlandsche Literatuur door J. Ten Brink (op bl. 31), evenals o. m. in Vlaanderen door de Heuwen heen, (1e deel, blz. 244), in de bijdrage van Aug. Vermeylen over De Vlaamsche letterkunde, staat een afbeelding van Hendrik van Veldeke, naar een andere miniatuur, doch zonder wapen, n. l. deze uit het Weingartner Liederhandschrift der bijzondere bibliotheek van den Koning van ht Are Stuttgart (1). De bovenste rand draagt de melding : « Maister Hainrsch von Veldek ». De fantaseerende hoveling is eveneens gezeten onder een boom, den linkerarm rustend op de linkerknie en het peinzend hoofd insgelijks steunend op de linkerhand, zooals in de voorstelling van het Manessische Handschrift. Vogelen fladderen rondom en doorheen het loof, en op den ondersten tak, links en rechts bezijden den boom, is een vogel gezeten. Vóór den dichter is een perkamenten rol, een phy- lacterium ontrold, zooals aangeduid wordt in het ander manuscript.
De miniatuur van den hoofschen zanger van Veldeke staat in kleurendruk in « Die Wappen... der Heidelberger Lieder- handschrift » door Zangmeister, in 1892, uitgegeven. Von Schmind heeft Hendrik van Veldeke’s portret, samen met dat van Wolfram von Eschenbach geschilderd in de voor- stelling van een tornooi. Het schilderij prijkt in een der zalen van den beroemd geworden Wartburg, bij Neuenbürg.
Laat dan ook èn Veldeke's miniatuur in het Manessische evenals in het Weingartner Handschrift, èn zijn portret niet alleszins zijn getrouwe beeltenis weergeven, de aanduidingen van zijn alhoewel niet echte wapenschild en helm in het eerst- vermelde HS. zijn gewis geen louter fantasie, hetgeen bewezen wordt door het ons bewaard gebleven zegel van een Hendrik van Veldeke, aan een akte van 1247 gehecht (2). Veldeke
(1) Zie verder, aan ’t slot : Tconograpme, enz, (2) Het zegel wordt afgebeeld o. m. op het titelblad in KEMPENEERS, op. cit. Zie ook afbeelding in dit werk,
re
« voert daar, (aldus Daniëls die het terugvond) doorsneden met een St-Andrieskruis boven de verdeeling (coupé de… et de... au sautoir de... brochant sur le tout) ; de kleuren zijn natuurlijk niet aangeduid, maar voor de bovenste is het onderscheid gegeven door gekruiste schuine lijnen. Het randschrift ontbreekt. »
Na er op gewezen te hebben dat dit wapen zoo hemels- breed niet verschilt met hetgeen de middeleeuwsche teekenaar aanbracht boven aan de miniatuur die Veldeke’s liederen opluistert in het Manessische handschrift, mocht Kempeneers dus wel besluiten : « Wat er ook van zij, het wapen der mi- niatuur is geen werk der verbeelding maar berust op het werkelijk feit dat de van Veldeke’s een wapenschild voerden, dus edellieden waren. Het mag dan ook niemand verwonderen dat de middeleeuwsche schilder onzen Hendrik van Veldeke als ridder-dichter voorstelt. »
Beweert immers Buckle niet, dat de wapens, zoowel als de kenteekenen tot de wapenkunde behoorend, «long nourished the conceit of the nobles, and were valued bij their descen- dants as marks of that superiority of birth to wich, during many ages, all other superiority was considered subordinate( 1) ?
Ten andere, afgezien van Veldeke’s wapen, van diens titel en van zijn positie aan ’t hof van Loon, mocht ons ’s dichters eigen verklaring :
handalntan Heynrijck, Die van Veldeken was geboren.
Hij hadde Sinte Servaes verkoren Te patrone ende te heren, (II, 2920- 2923)
mogelijk doen onderstellen dat hij een edelman was, « vermits het vooral de ridders en edelen waren die zich den eenen of anderen Heilige » (vaak uit de streek zelf), « tot patroon kozen » (2).
En ten slotte, ware hij geen edelman geweest, een die
(1) BUckKLE, op. cit, p. 349. Alhoewel hun oorsprong opklimt tot in de X® eeuw misschien, kwamen de wapens, zoowel als de andere tot de wapenkunde behoorende kenteekenen der edelen slechts in de XIIe eeuw (van Veldeke's eeuw) in gebruik, zooals blijkt o. a. uit Harram’s Middle Ages, vol. TI, p. 139 ; Lepwricu’s Antiqutties of Ireland, Dublin, 1804, pp. 231- 232 ; MiomeLer’s Origines du drott francais, Bruxelles, 1840, vol. II, p. 382 ; LACROIX et SERÉ, Loe Moyen Age et la A (Hist. et Descript. ), t. IV, Paris 1851, Betenes héraldique Hfol. I, II, evenals Patria Belgica, III vol, chap. XXIX, Art héraldique, door Eve. GENS, o. m. blz. 734, 735, 738.
(2) KEMPENEERS, op. cit, blz. 89.
— 79 —
leefde in de omgeving der hoven van Loon, Kleef en Thürin- gen, zou dan Agnes van Loon « sijnre liever vrouwen » hem gevraagd hebben den Servaas ín ’t Dietsch te vertalen ?.
wivanbsdit der gravinnen bede
Van Loen, sijnre liever vrouwen,
Dies hoem bat mit trouwen,
Doer mijnne, want des luste haer. (Serv, I, 3236-3239.) Zou hij, de vreemdeling uit ’t verre Loonsche, zijn half- voltooide Eneïde aan gravin (Margaretha?) van Kleef ter lezing toevertrouwd hebben :
dat was die grâvin van Cleven
die milde end die goede? (En, 213448. 13449)
Te Winkel gist zelfs dat hij zijne Eneïde « vermoedelijk voor Margaretha van Kleef » vertaalde! —Zou hij, waar zoovele ridders-minnezangers van den lande hoog in aanzien stonden, hij de vreemdeling uit ’t graafschap Loon, zou Hendrik van Veldeke gevierd geweest zijn als een « Meister » op ’t hoffeest te Mainz evenals aan ’t hof van den Landgraaf van Thüringen die hem opdracht gaf voort te werken aan zijn Eneïde, ware hij niet eeh edelman, een ridder geweest.
Niet te verwonderen dus, dat ook de nazaten, de familieleden van onzen dichter na hem, evenals hij zelf wellicht, in de beste betrekking stonden tot het hof van Loon, en een naamgenoot van « Meister Heynrijck », ettelijke jaren na zijn dood, zoo vaak vernoemd werd als getuige in de meest onderscheidene akten door Graaf Arnold van Loon opgesteld, hetgeen Daniëls deed besluiten : « Ware Arnold (bedoeld wordt Arnold van Veldeke die, volgens bovenvermelde akte van 1218, de tiende van Zolder aan de abdij van Herckenrode vermaakt), ware Arnold ook maar een grondbezitter geweest, Hendrik (als Dominicus de Velke, in 1264) is ridder, en de familie telt wel onder de adellijke. »
Deze Hendrik, « Henricus de Veldeke », een nazaat… (er werd wel eens ondersteld : een zoon of kleinzoon van onzen Spalbeekschen ridder-zanger), erfde mogelijk zijne titels : « miles », « dominus », ridder en heer, evenals zijn leen nabij Spalbeek, « Veldeke apud Spalbeke », zooals hij misschien ook diens waardigheid, als « dapifer » overnam aan ’t hof van Loon !…
Edoch, ook nopens dit punt zijn de meeningen nog al verdeeld. Sommige Duitsche geleerden, o. a. Golther, denken dat van Veldeke, vooral omdat hij de schrijver is van de St- Servatius-legende, waarschijnlijk een geestelijke moet
geweest zijn. Ook Jonckbloet, althans in de eerste uitgave zijner « Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde » ten jare 1868, oordeelde dat de dichter van St-Servatius een vroom persoon was... «dielater in den geestelijken stand getreden, de schrijver der legende werd » ; reeds in 1860 schreef Franquinet : « ik vermoed zelfs dat hij clerk of geeste- lijk persoon van St-Servaaskerk moet geweest zijn. » Ook Lambrecht Lambrechts, in zijn onlangs verschenen studieover Hendrik van Veldeke, den eersten toondichter van de Nederlan- den, schijnt eveneens deze gewaagde stelling niet ongenegen : «Een priester, die minneliederen schreef ? zal de lezer opwerpen» aldus Lambrechts.« Waarom niet? Dat was geen zeldzaamheid in die eeuwen. M. Guesnon a réussi à reconstituer le cadre historique pour quelques-uns des plus anciens poètes chan- sonniers d'’Arras. Il a montré que tous appartenaient à Yéglise, plusieurs même au chapitre d'Arras.» (P. Aubry) Hieraan kunnen wij toevoegen dat de betiteling « Zer» die Wolfram von Eschenbach den Spalbeekschen dichter geeft, alsdan ook eigen was aan priesters.
Daniëls daarentegen zegt beslist : « Een leek was hij : een geestelijke zijn en het zwervend minnezangersleven leiden, dat vloekt.» « Wel noemt hij zich «Meister»,( aldus Ten Brink) maar toont toch in alles, niet het minst in zijn erotische liederen, dat hij een man van de wereld is. » En al neemt Dr. Kalff het nu niet stellig op, noch voor de eene noch voor de’ andere thesis, waar hij onderstelt « dat Veldeke op een of andere wijze in betrekking schijnt te hebben gestaan tot den geestelijken stand en het klooster van St-Servaas », Te Winkel na Behaghel, is uitdrukkelijker, want hij verklaart : « Tot het St-Servatiusklooster moet hij in nauwe nog niet op- gehelderde betrekking hebben gestaan. Geestelijke was hij echter noch van karakter noch van stand » Jonckbloet overigens, in de 4° uitgave zijner Literatuurgeschiedenis, in 1888, evenals Everts, in de 3° uitgave zijner Geschiedenis der Nederlandsche Letteren », in 1886, kwamen op hun eerste getuigenis terug en namen insgelijks aan dat Hendrik van Veldeke een leek was.
Daniëls gaat echter veel verder, en z. i, zou de Loonsche hoveling denkelijk wel getrouwd geweest zijn en kon het wel mogelijk zijn dat hij nakomelingen achtergelaten heeft. Hij vestigt de aandacht op een akte van 1218 die Daris in het Cartularium van Herckenrode vond en waarbij Arnold van Veldeke de tienden van Zolder afstaat aan die vermaarde
— 81 —
abdij in ’t land van Loon (niet ver van Spalbeek gelegen). Uit het door hem meegedeeld stuk maakt Daniëls een genea- logische brok op, bij middel der namen van de personen die er in voorkomen, en besluit alsdan : « Iedereen die iet of wat t’ huis is in de genealogieën der XIIe en XIIIe eeuw, weet dat toen, zoowel als later, de oudste zoon zijnen groot- vader voor peter had en den naam kreeg van dien grootvader. Zoude het ons geoorloofd zijn den Hendrik van 1218 (bedoeld in de besprokene oorkonde) te aanzien voor den kleinzoon van den dichter Veldeke (geboren tusschen 1126-1128), en Floria (eveneens vernoemd in de akte van 1218) voor de achtergelatene weduwe van den beroemden minnezanger %
„Een soortgelijk oordeel nopens van Veldeke'’s huwelijk treft ons ook in prof. Mone's « Quellen und Forschungen », waar reeds ten jare 1830 ondersteld wordt dat de Heer van Veldeke die in 1253 (dus een halve eeuw nagenoeg na den dood van onzen dichter), van abt Wilhelmus van St-Truiden een goed te leen kreeg, dat gelegen was bij Spalbeek, mogelijk de zoon was van onzen Limburgschen minstreel, terwijl Bormans na von der Hagen insgelijks gewaagt van een zoon van den Spalbeekschen zanger, eveneens Henricus de Veldeke genaamd, die een leen ontving te Spalbeek : « Dans Wolters il y a en outre 4 diplômes concernant Herckenrode et Orienten signés par Heinrich von Veldeke, mais des années 1248, 1264 ; donc par son fils‚qui regut,d’'après un vieux manuscrit de V'ab- baye de St-Trond,un fief situé à Spalbeke.n Lyna, daarentegen, vestigde er onze aandacht op dat deze Hendrik vermoedelijk geen zoon was van onzen dichter, want in dit geval zou hij in het bezit van de heerlijkheid zijn getreden, zonder dat de abt van St-Truiden daarvoor een nieuwe akte opmaakte.
Kempeneers eindelijk, waar hij Daniëls’ gissing aanhaalt nopens de mogelijke verhouding van Henricus de Veldeke en Floria tot den XII-eeuwschen Dietschen schrijver der
Servatius-legende, verklaarde zijnerzijds dat hij het antwoord op Daniëls's vraag schuldig blijft. En, op zijne beurt, het belangrijk stuk van 1218 toelichtend, besluit hij, met het oog op de namen aangeduid in deze akte : « Immers naast Arnoldus’ zoon, Hendrik, staat Arnoldus’ broeder, Hendrik, en wie zegt ons dat deze de kleinzoon niet is van den dichter. Dit in verband brengend met de andere gegevens, zouden wij Robrecht tot man van Floria, en zoon van-onzen eersten dichter uitroepen, een onderstelling die niet steviger gegrond is dan die van Daniëls, maar waarmede ik wil aantoonen
— 82 —
dat de ons bekende oorkonden ons niet tot zekere gevolg- trekkingen laten komen, zelfs niet betreffende het huwelijk van onzen Hendrik ; want we kunnen ook de vraag stellen : was Hendrik van Veldeke de broeder niet van Robrecht, man van Floria? Den broeder van Arnold vereenzelvigen met onzen dichter is onmogelijk : men neemt algemeen aan dat Veldeke om het keerpunt van de 12° eeuw niet meer leefde » (1), en het betwist stuk dagteekent uit 1218. Wat hier ook van zij, de acte waardoor de abt van St-Truiden het leengoed van Spalbeek aan een van Veldeke afstaat, bewijst dat we hier niet meer voor een afstammeling in rechte lijn staan, want deze zou heel eenvoudig het erf van zijn vader hebben overgenomen, een feit dat in dezen vorm hoop en al door den abt zou zijn bekrachtigd geworden, verklaarde ons Dr. J. Lyna, dien wij hierover spraken.
Met stellige zekerheid de verhouding bepalen in dewelke Hendrik van Veldeke, de berijmer der Servaas-legende, de verhaler van Eneas’ lotgevallen en de zanger der minne- liederen staat tot de andere van Veldeke’s wier namen ons bekend zijn door de oude documenten, bleef tot nog toe onmogelijk. Evenmin zijn ons bijzonderheden bekend over zijn positie als dichter, als menestreel, beschouwd van maat- schappelijk standpunt uit. Naar alle waarschijnlijkheid echter zal hij wel niet van zijn kunst geleefd hebben zoo ‘t wel deden de Grieksche rhapsoden, de Noorsche skalden, de Fransche jongleurs, de Duitsche fahrende leute en vaganten, — « die speleman end die varende diet », — heet het in Vel- deke’s Eneïte, vers 13107, — de Nederlandsche sprekers en zeggers, evenals de vertellers in dienst bij de Italiaansche groote heeren en later de reizende dichters en improvisatoren in Italië : zij allen leefden van het publiek, ontvingen loon voor hun werk in den vorm van kost en huisvesting, kleeren, een paard, ook wel eens geld. Wij dienen eerder Veldeke (wiens adeldom wij trachtten te verklaren) te rangschikken bij de troubadours en de minnezangers, waaronder immers verscheidene edelen geteld werden, en van dezen getuigt Dr. Kalff dat zij « onafhankelijk waren van het publiek, ten minste in materieel opzicht. »
Hendrik van Veldeke, de vertrouweling der Gravin van
(1) KEMPENEERS, op. cit, blz. 90. Ook Daniëls schreef desaangaan- de : « Bormans denkt dat Arnold van 1218 zijn broeder was (n. Ì. van Hendrik den dichter) : ’t is eene veronderstelling ; ernstig bewijs ontbreekt echter. » (Onafhank, nf 17, dd. 23 April 1911.)
— 83 —
Loon, de gunsteling der Gravin (Margaretha) van Kleef en van den Paltsgraaf van Thüringen, door de grootste Duitsche minstreelen geroemd als hun « Meester », zal wel niet dikwijls moeten klagen hebben, dat hij weinig dank of baat van zijn verzen genoot, zoo ’t een eeuw nà hem Jacob van Maerlant weemoedig deed (maar al te waar, eilaas! ook nu nog, en op de allergrootsten zelfs toepasselijk, hier en elders) :
Van dichten komt mi cleine bate, Die lieden raden mi dat ict late e minen sin niet en vertare.
Edoch, van Maerlant, de lierdichter en zedenprediker nam. een heel ander standpunt in dan onze Spalbeeksche hoofsche poëet !
Niet alleen was « Meister Heynrijck » mogelijk ook een « Dominicus et Miles », Heer ende Ridder, en in die hoedanig- heid wellicht als hoveling van den Graaf, gewis « persona grata » aan ’t hof van Loon, evengoed waarschijnlijk als deze Hendrik van Veldeke vermeld in de akte van 1218 ; denkelijk zal ook onze Spalbeeksche edelman in betrekking gestaan hebben tot de abdij van het nabij-gelegen St-Truiden (op ’n 20 Km. af- stand van Spalbeek), zoowel als hij ook in kennis, mogelijk, geweest is met de kanunniken uit het klooster van Maastricht, althans minstens met kanunnik Hessel van St-Servaas.
Over den omgang van ’s dichters nazaten met de St-Trudo- abdij, lichten ons sommige akten van 1243, 1250, 1253 en 1257 in. Zoo zagen wij reeds hoe in het boek van Abt Willem van Rykel vermeld wordt dat, ten jare 1253, « de abt Willem aan den leenhouder ridder Hendrik van Veldeke een on- bebouwd stuk land afstaat gelegen bij Spalbeek dat een leen is der kerk van St-Trudo, alwaar dezelfde Hendrik ridder, voogd en advocaat is ». « Comes et advocatus », meent Bormans (1), gewis niet als « Advocatus Ecclesise St-Trudonis », dit was gewoonlijk de Graaf van Loon of die van Duras. Om de verdediger der rechten en bezittingen dezer rijke abaij te wezen, als « sous-avoué », « Veldeke n’était pas assez grand seigneur. IÌ ne peut donc être question que d'une avouerie ou sous-avouerie de quelques propriétés particulières. »
Niettemin dient de aandacht gevestigd op een oorkonde uit het jaar 1243, waarin Thomas, abt van Sint-Truiden
(1) BoRMANS, op. cét., p. 20. Vgl. Daris, Histoire de la bonne ville.…, I, p. 406 ; PERGAMENI, L’.Avouerie ecclés. belge, p. 146.
ze BÁ
spreekt van « H(enrico) de Velleke », advocato nostro » (1) waaruit o. m. blijkt « dat de familie van Veldeke in 1253 (akte van abt Willem van Rykel) machtig genoeg was om voogd te zijn van de abdij van St-Truiden, wijl zij het reeds in ’43 was, te meer daar wel nu en dan een naburig edelman met die waardigheid werd bekleed omwille der… diplomatie !
« Dat Veldeke hier voogd en niet ondervoogd genoemd wordt is in overeenstemming met de theorie van Piot, dat de ondervoogd als hij alleen in een stuk optrad voogd betiteld werd, omdat hij dan handelde zooals deze het zou gedaan hebben » (2).
De naam Henricus de Veldeke wordt nog driemaal ver- meld in de « Manuale abbatis Wilhelmi ». Zoo wordt een « Dominicus H. de Veldeke », ’s dichters bloedverwant waar- schijnlijk,ten jare 1250 als getuige opgeroepen in een geding den molen van « Cursenbrul» betreffend (fol. 66 verso, blz. 188). In fol. 114, verso, lezen wij dat, « ten jare 1257 in de Juli- maand, « Abbas Wilhelmus de hoogerbepaalde som van « Dominico H. de Veldeke » ontving voor de goederen van Spalbeek, zooals in een document van 1256,tnopens een geschil tusschen de kerk van St-Truiden en den Graaf van Loon en Wilhelm, zoon van Geraard de Bucth, eveneens een « Dominus Henricus de Veldeke ex parte comitis » aangehaald wordt.
Herinneren wij, in verband met H. de Veldeke, voogd der abdij van St-Truiden, aan hetgeen J. Calmette betreffende het ambt van den middeleeuwschen « advocatus », getuigt : « Parallèlement (au seigneur, « dominicus ») se classent le « vidame » et « l'avoué », que nous retrouverons à propos de ’Église, car le vidame n'est que le lieutenant de l'évêque chargé de gérer le temporel, et l'avoué d'un établissement religieux joue auprès de cet établissement un rôle identique. »
In de Middeleeuwen immers gold als strenge regel : « Nemo militans deo implicat se negotiis saecularibus », zoo werd. be- duid dat, in den beginne, geen « clercke » voor een profaan gerechtshof mocht verschijnen. Om zijne belangen te vrij- waren, moest de geestelijke nochtans een middel vinden om de beginsel-kwestie overeen te brengen met de practische
( 1) Pror, Cr., Cartulaire de Abbaye de St-T'rond, Bruxelles, 1870, t. I, p. 210.
(B) Kumeunenns, op. cit, blz. 82-83. Vgl. ook BoRMANS, op. cit, blz. 20 : « Etant seigneur de Veldeke et relevant, comme tel, tout au plus du Comte de Loz, il y a toute probabilité qu'il avait été en même temps investi de la charge de comte et d'avoué de l'abbé à Spalbeke, dont les terres... touchaient au domaine seigneurial de Veldeke. »
Ss BB is
vereischten. « On imagina de charger des laïques de la défense de ces intérêts temporels. Ces procureurs de monas- têres, appelés d’abord défenseurs (defensores), prirent au IXe siècle le nom d’avoués (advocati). Ainsi ge fonda «l’avouerie» du moyen-âge ».
Door hunne betrekkingen met de abdij van St-Trudo — als ondervoogd — kwamen de van Veldeke’s mogelijk in aan- raking met de stad St-Truiden zelve, waar een Hendrik van Veldeke, op aanvraag van het schepencollege, o. m. tweemaal als getuige optrad in een gerechtelijk onderzoek, n. 1. betref- fende de visscherij in den Willebampt, « pratum Willonis », ten jare 1256, en rakende den « Mansus Nishem » in 1257.
Over«Meester Heinrich van Veldeke's» omgang met het hof van Loon, met de Paters der abdij van St-Truiden en met het bestuur der St-Trudo-stad, werd niets met volstrekte zekerheid voorgestaan ; door bijna alle schrijvers die zich met den XII-eeuwschen dichter bezig gehouden hebben, werd echter gewezen op diens verhouding tot Maastricht en vooral tot de abdij van St-Servaas.
Bormans heeft de zoekers op het spoor gebracht wanneer hij van Veldeke’s Servaas getuigt : « Le sujet et le manuscrit lui-même appartiennent aux antiquités Maestrichtoises ». Goe- deke en Bartels volgden Behaghel, Wilhelm en Golther waar zij allen het opnamen voor de ligging van Veldeke'’s geboorte- plaats « in der Nâhe von Maestricht », en Wilhelm zelfs ge- waagde van de nauwe betrekkingen die onze dichter, volgens zijn eigen verklaringen, (Serv. 1 3225 en vlg, evenals II, 2916 en vlg.), onderhield met het St-Servaasklooster te Maes- tricht. Ook Te Winkel, Ten Brink en Kalff zijn het hierover eens en Te Winkel heeft het zelfs over het adellijk geslacht der van Veldeke's « dat in de buurt van Maastricht zijne goederen bezat ».
En, nadat Daniëls in 1911, van uit Hasselt, zoo dicht bij Spalbeek, de onderstelling vleugelen had aangebonden, als zou Meister Heynrijck naar Maastricht gegaan zijn « om zijne opvoeding te verzorgen en er kennissen te vergaren », kon het geen verwondering baren dat Maastricht, met rechtmatige fierheid en met nog meer beslistheid, « haar » roemvollen inwoner opeischen ging. Dit gebeurde dan ook reeds het volgend jaar, in 1912, bij monde van Dr. Endepols die, als een uitgemaakte (alhoewel door hem volstrekt niet bewezen) zaak deed gelden, dat onze Spalbeeksche ridder « zich + 1170 te Maestricht vestigde », en « na zijn verblijf te Maestricht
bas BO see
eenigen tijd (+ 1175) leefde aan het hof te Kleef » (1). Wie zal daarna nog verbaasd opkijken wen, uit Maastricht
zelf, de dichteresse Marie Koenen geestdriftig aan ’t fan- taseeren gaat :
ineens in Tricht de stad
Waar Heynrijck dichtte en Heynrijck bad,
Waar Heynrijck Sint Servaes vereerde,
Waar Sint Servaes de taal hem leerde
Die ieders harte raakte- en trof,
En bidden deed Servaes tot lof ! » (2)
Hierin nochtans werd Marie Koenen voorafgegaan o. a. door Behaghel en Braune, evenals in Nederland zelf, b. v. door Ten Brink en Leviticus die beweerden dat van Veldeke zijn werken schreef in Maastrichtschen tongval, althans (ge- deeltelijk ten minste) in een met het Maastrichtsch nauw verwant dialect (3).
Voorzeker zal niemand ontkennen dat Hendrik van Veldeke wellicht meermaals te Maastricht geweest is, aldaar (4) zijn patroon St-Servaas vereerde, en, mogelijk, er bevriend was met de kanunniken, heel zeker toch met kanunnik-koster Hessel. En, indien hij zijn leenheer, Graaf Geraard van Loon vergezelde naar Thüringen (niet ver van Rieneck in Beieren, waar deze eveneens Graaf was), alsmede in 1184, bij ‘t Hof- feest, naar Mainz, waar de Graven van Loon slotvoogden
(1) Dr. ENpepors, Inleiding tot H. v. V.'s St-Servatrus legende, bewerkt door Marie Koenen, Bussum, 1912, blz. rx, x. Trouwens, een halve eeuw vóór Endepols, had Franquinet reeds geschreven : « Het is voor mij buiten allen twijfel dat Heynrijck van Veldeke, toen hij de legende dichtte, te Maastricht woonde». (Dietsche Waranda, 1860, blz. 372, 1°® noot). Te Winkel daarentegen durfde minder beslist te onderstellen dat Veldeke a waarschijnlijk een deel van zijn leven te Maastricht doorbracht ». (Verhandel. van het XXXT Congres, Maas- tricht, 1910,-—overdruk zijner redevoering, blz. 5). Vgl. ook Cu. Mertz, over de nauwe betrekking tusschen Veldeke en Maastricht, in diens studie « Rond Hendrik van Veldeke », verschenen in De Katholsek, jrg. 1914, blz. 391 en vlg.
(2) MARIE KOENEN, Grendrik van Veldeke's St-Servatius legende,
blz. 91. Men raadplege ook haar artikel in Roeping (1923, nrs van
Februari, Maart) over « Heynrick 's Roeping ». Ook Daniëls aanziet
het als eene natuurlijke gevolgtrekking dat de dichter zijn eerste pen-
nevrucht, zijn St-Servatiuslegende, te Maastricht vervaardigde. »
Ee Onafh., nr 18, dd. 30 April 1911). Vgl. ook BEHAGHEL, op. cit., . CLXIX. |
(3) Cf. in hoofdstuk III, over de taal van Veldeke's St-Servatius legende. Vgl. ook FRANQUINET, op. cit, blz. 372 : « geheel en al het Maastrichtsche dialekt ».
(4) Salzer meent ten onrechte dat de St-Trudo-abdij van St-Truiden den H. Servatius toegewijd was (op. cét., blz. 221).
ef EENS, ee en ee on ee
— 87 —
waren (1),—dan verwondert het ons ook niet dat hij zijn heer wel eens vergezeld heeft naar Maastricht, waar ten andere een van diens zonen, met name Hendrik van Loon — in 1218 overleden — proost was. Dit bewijst echter nog geenszins dat hij aldaar studeerde, er verbleef en dichtte, naar ’t o. a. Daniëls, Endepols en M. Koenen wilden vooruitzetten.
Hoogstens durven wij met Kempeneers te besluiten : « Dat een edelman, uit het graafschap Loon, Maastricht kende, tot 1204 een Keizerstad, welke aan een der hoeken van zijn graafschap de grafelijke zucht naar gebiedsvergrooting, om zoo te zeggen paal en perk stelde; een stad waar de Keizer tot tweemaal toe, op het einde der 12° eeuw, een ongunstig vonnis had uitgesproken over den Graaf van Loon; dat lijdt geen twijfel ; maar daaruit vloeit niet voort dat er een verhouding tusschen hem en die stad of de abdij van die stad moest bestaan. Niemand toch heeft over zulke betrekkingen ergens iets gevonden en de eenige oude bewijsgrond, door Wil- helm nogmaals als opgewarmde kost voorgezet, is Hessel» (2). Ook van Vloten is heel wat omzichtiger dan menig al te ijverig voorstander van Veldeke’s verblijf te Maastricht : « Was hij als dienstman aan ’t huis der Loons verbonden, of woonde hij in kerkelijken dienst te Maastricht ? » — vraagt hij... « Men heeft het laatste uit enkele onzekere gegevens willen afleiden ; zijn verdere levensloop en omgeving zou meer voor ’t eerste pleiten » (3).
Wel vindt Lyna een doeltreffender bewijs, dan ’t geval Hessel, voor Veldeke’s verblijf van « ten minste eenigen tijd te Maastricht», in ’t feit dat de dichter St-Servaas tot patroon heeft gekozen. In verband hiermede herinnert hij « dat Maas- tricht te dien tijde aan twee heeren, den keizer van Duitsch-
(1) De heer Dr. Lyna, Staatsarchivaris te Hasselt, die zich reeds zoo verdienstelijk maakte door zoo menige uitgegeven (zoo vele nog onuitgegeven) streng-wetenschappelijke studies op gebied van Lim- burgsche (Loonsche) geschiedenis, (en bovendien, niet het minst, door de vele inlichtingen, — vrucht van zijn ijverig zoeken, — die hij den anderen zoo bereidwillig mededeelt), — maakte ons hierop attent in een der vergaderingen van het Comité der van Veldeke- Herdenking.
(2) KEMPENEERS, op. ct, blz. 103. Vgl. ook BoRMANS, op. cît., blz, 13 evenals de studie var J. NOTERMANS, verschenen in Limburg, IXe jaargang, n' 7, over « ’n Vriend van Heynrijck van Veldeken. » Cf. verder hoofdsv. III, Veldeke's St-Servatius-legende.
(3) VAN VLOTEN, « De Midden-nederlandsche dichter Hendrik van Veldeke », in Publications de la Société Hist. et Arch., XTV, 1877, bìz. 352. (Ik curstveer.)
— 88 —
land en den prins-bisschop van Luik toebehoorde, en dat de burgers, om hunne nationaliteit vast te stellen, zich een patroon kozen. Met St-Servaas te kiezen, werd Veldeke een keizerlijk onderdaan ; om daartoe over te gaan, moet hij ten minste eenigen tijd te Maastricht hebben vertoefd » (1).
De feudale organisatie in de middeleeuwen sluit echter eenigszins de onderstelling van een lang verblijf te Maastricht uit, zoo ’t ons de heer Lyna terecht deed inzien. Ben minis- teriaal van een Graaf ging niet op een vreemd grondgebied wonen, althans niet voor langen tijd. De aandacht weze er eindelijk ook op gevestigd dat van Veldeke een letterkundige was en dat hij daarom zijne opvoeding ontving in een klooster waar de letteren in eere stonden, Dat was namelijk het BORE voor St-Truiden, waar dan ook Veldeke hoogst-waarschijnlijk geruimen tijd kan verbleven hebben. Te Maastricht bestonden eveneens twee scholen, die van St-Servaas en van O. L. V., maar indien men zich op de geschiedkundige bevinding kan verlaten, was Maastricht eerst en vooral een kunstmidden, zoo *t hierboven reeds terloops werd aangeduid. Geen enkele kroniek werd ons door hare twee scholen geleverd, terwijl dit wel geschiedde voor St-Truiden, zooals reeds aangetoond.
In alle geval, buiten het vermelden van Hessel's vraag naar de St-Servatiusberijming « te Dutschen » :
En Hessel, der Custe dies heme vliteliken bat, 3 3240- 3241)
en buiten ’s dichters keuze van den Heiligen Servaas
te patrone ende te heren, (II, 2923), treft ons, in de St-Servatius-legende, geen andere verwijzing naar Veldeke'’s vermoedelijk oponthoud te Maastricht.
Wel spreekt de vertaler (hierin eenigermate afwijkend van zijn Latijnsch model) van de straat vóór ’t Servaas- klooster te Maastricht :
daer noch die strâte voer gheyt, (I, 1001) zooals hij ook gewaagt van den sleutel die nu nog aldaar bewaard blijft : die noch es in sijnre kerken. (II, 839.) Evenzoo roemt hij de vruchtbaarheid van den bodem der bester coren eerden, (1) Dr. J. L(yNA), in Pagénae, II, 1927, n° 1, ter recensie van de
bijdrage over H. van Veldeke, door A. Cosemans geschreven voor Zrmburg.
— 89 —
den rijkdom der watervlieten en bosschen aldaar,
in visschen ende in ghewilden, en, in de vaak aangehaalde beschrijving (1), trekt Meester Hendrik onze bijzondere aandacht op de voortreffelijke ligging «van Triecht de Stadt» :
Es die stadt wale gheleghen
Ende te schepen in voele weghen
Aen eynre ghemeynre straten. (I, 966, vgl.)
Benevens deze verzen, werden uit Veldeke’s St-Servatius- legende echter ook wel eens sommige andere geciteerd, om te betoogen dat hij niet alleen te Maastricht vertoefd heeft, doch ook naar Italië reisde, wellicht Quidlenburg en Gosslar, mogelijk zelfs... Spanje bezocht; in alle geval, dat hij, na het eerste boek van den Servaas voltooid te hebben, afreisde naar het Harz-gebied, misschien wel in gezelschap zijner bescherm-vrouwe, Gravin Agnes van Loon.
Aan al deze verzen mogen wij echter niet heel veel belang hechten ten bewijze van 's dichters verblijf op die plaatsen of van zijn persoonlijke kennis « de visu » van sommige bijzonderheden op geschiedkundig of geographisch gebied die niet in zijn voorbeeld, in de Latijnsche bron vermeld staan, maar die hem door Meesters, door vrienden best kon- den medegedeeld zijn, of door hen aan wie de discipel — mogelijk — zijn dank betoont waar hij, aan ’t slot van ’t eerste boek der legende, gedenkt allen die hem « hulpe daer toe daden » (I, 3248).
De volgende cursief gedrukte woorden door onzen Dietschen dichter met nog eenige andere ingelascht tusschen den tekst dien hij vertaalde, wat bewijzen ze, bijv. voor zijn verblijf in Quidlenburg, waar hij het klooster, gelegen op een berg, dat men van verre ziet, voorzeker heeft aanschouwd, naar ’t Behaghel meent :
Men maecht verre aenscouwen ; Want het staet alsoe Op eynen berch hoe? (St-Serv., IT, 1147-1149.)
En bewijzen nu ’n paar woorden « T'uscane» en « Lamparden », — die niet in het Latijn staan, maar wel in de beschrijving die Veldeke geeft van Servaas’ terugreis van Rome uit, — dat onze Spalbeeksche edelman alzóó niet zou kunnen geschreven hebben, als hij niet persoonlijk in Italië geweest was, gelijk Wilhelm beweert en Prof. Piper ne hem, evenals Behaghel,
(1) Zie hierboven blz. 52, Vel 7.
— óö —
Daris, Huysmans en Daniëls die allen voorstaan dat onzé Loonsche ridder-zanger in den Harz op reis geweest is, het- geen daarentegen Kempeneers sterk betwijfelt (1).
Terecht merkt Kempeneers op : « Op die wijze voortgaande, zou Veldeke ook nog in Spanje geweest zijn :
Te Sinte Jacobs voer hij sijne ghebiede,
Die heilighe Sinte Servacius,
In Galissien, te sijnen huys,
Ende soechte sijne ghenade da…. (I, 435.) Daar staat ook niets van in de Vita (2). »
Buiten Tongeren en Maastricht, door hem met voorliefde bezongen, en die hij gewis meer dan eens bezocht, weten wij, door zijn eigen getuigenis, dat onze hoveling o. m. te Kleef, in Thüringen en te Mainz geweest is.
Te Kleef immers liet hij zijn half-voltooide Eneïde « lesen ende skouwen », aan
v…… die grâvin van Cleven die milde ende die goede, (En., 13448-13449), en ’t handschrift werd er hem ontstolen
doe wart dat boec te Cleven verstolen einre joncfroun, der s$°t hade bevolen. (13455-13456.)
Slechts negen jaar nadien, kreeg « Meister Heinrich » zijn gedicht terug, toen hij op bezoek was in Thüringen (3) :
Went he quam te Doringen in dat lant, dâ he den palenzgrâven vant
van Sassen, de’m dat boec liet
end et hen volmaken hiet. (13467-13470.)
(1) WiLEeLM, Sanct Servatius oder wie das erste Reis in Deutscher Zunge geïmpft wurde, München, 1910, S. xrrv. Vgl. Prrer, Höfische Eptk, I, S. 62 : « Er müsz daselbst gewesen sein », (in Quedlinb und Goslar). HUYsMANs, in het Zemburgsch Jaarboek, 1892-1893, bldz. 57, gewaagt insgelijks van Veldeke’s reis « naar den Harz », — zoo ’t eveneens deden BEHAGHEL, op. Ct, S. CLXXI,; DARIS, Hrstoire du Diocèse, I, p. 677 en DaNrers (D. J. M.), in De Onafhank., nr 24, dd. 11 Juni 1911.
Salzer is voorzichtiger en houdt het voor Veldeke’s waarschijnlijke rets naar den Harz, (op. cèt.…, I, S. 221).
Zie, daartegen, KEMPENEERS, op. cit, blz. 99-100.
(2) KEMPENEERS, op. cit, blz. 101. Deze twee plaatsen (aldus Lyna) zijn rechterlijke pelgrimstochten.
(3) Het huidige Saxen-Coburg-Gotha, de bakermat van onze koninklijke familie, is een deel van beaoeld gewest Thüringen.
Volgens Behaghel, had het huwelijk van gravin Margaretha (f) van Kleef — « und somit der Diebstahl », hoogstwaarschijnlijk plaate én 1174. « Es hat denn grosse Wahrscheenlichkert jür sich », vermits « im Jahre 1174 treffen wir Ludwig III. und seinen Bruder Heinrich
PEEN
En te Mainz, waar Frederik Barbarossa in 1184 :
gaf twein sînen sonen swert, was Veldeke aanwezig op het beroemde ridderfeest
die wir selwe sâgen, zegt hij, (En. 13227), wanneer hij de bruiloft beschrijft, aan Latinus’ hof gehouden bij gelegenheid van het huwelijk van Eneas en Lavinia, ons alzoo aantoonend dat, ook in zijn tijd, soortgelijke feestelijkheden ook nog wel eens met veel en meer luister zelfs plaats grepen.
Over Veldeke’s reizen naar andere plaatsen dan Maastricht, alsmede over zijn vermoedelijk verblijf elders dan in St-Ser- vaasstede, is ons al even min bekend.Wel kunnen wij’s dichters tegenwoordigheid aan ’t Thuringsche hof evenals te Mainz thans met veel meer zekerheid verklaren, nu wij, dank zij de studies en opzoekingen o.a. van Hegel en van Hansay (1), weten, dat reeds van af 1107 tot 1124, Arnold I, Graaf van Loon, tevens vermeld wordt als slotvoogd van Mainz, nadat hij de eenige dochter huwde van Graaf Geraard, slotvoogd van Mainz van af 1084 tot 1106, en dat deze Arnold alsdan ook ongetwijfeld Graaf van Rieneck was, vermits ook zijn overleden schoonvader Geraard, Graaf was van Rieneck, bij Thuringen. Hetzelfde geldt voor diens opvolgers, Arnold II, Lodewijk I en Geraard I, allen graven van Loon en tevens slotvoogden van Mainz en graven van Rieneck, tijdens Vel- deke’s leven (2). Dit bleek ten andere uit een akte van 1222, door Reusens reeds in 1879 uitgegeven, en volgens welke « Ludovicus comes de Los et de Rineggen (Lodewijk graaf
am Rheiv » (KNOCHENHAUER, S. 180, Anm. u. 184) »,— « dan würde Veldeke 1183 sein Manuscript wieder erhalten haben. Gewissheit vst
natürlich hier mcht vorhanden. » (BEHAGHEL, op. cit, S. CLXIV.)
(1) Hearr, K., « Die Graven von Rieneck und Looz als Burggrafen von Mainz », in Forschungen zur deutsche Gesch., XIX, 1879, SS. 571- 587 ; HANsAY, « L'anciea Comté et les anciens Comrtes de Liooz », in Mélanges H. Pirenne, 1926, pp. 197-200.
(2) Na den dood van Geraard I, volgde hem zijn zoon Lodewijk II op, als «Graaf van Loon», (1195-1218), terwijl de 29 zoon, Geraard II, slotvoogd van Mainz en Graaf van Rieneck werd (van af 1213tot 1216). Hendrik, broeder van Lodewijk II volgde dezen laatste op als Graaf vap Loon, doch stierf drie dagen na hem; hij werd opgevolgd door Araold III,die Graaf vaa Loon was van 1218 tot 1221 en zonder kin- deren-erfgenamen stierf ; liodewijk III, zoon van Geraard van Rieneck, volgde zijn vader op als slotvoogd van Mainz, (volgens een akte van 1221), en als Graaf van Rieneck. Edoch, — aldus Hansay : « IÌ n’est plus fait mention de la châtellerie de Mayence après 1221 ; d'autre part, à partir de 1227, les Comtes de Looz et de Rieneck ont une existence séparée. » (HANsAY, op. cit, pp. 198-200.)
— 92 —
van Loon en Rieneck) de giften bevestigt van eigensgoed of vrij-erfleen van Herckenrode evenals van andere goederen, aan de abdij van Herckenrode vermaakt door Lodewijks grootvader Geraard en diens drie zonen : Lodewijk, Hendrik en Arnold, de oomen van voornoemden Graaf van Loon en Rieneck (1). Scherer was nog uitdrukkelijker, toen hij, aan de hand van Hegel's betoog uit het jaar 1879, in 1885 aantoonde, dat Hendrik van Veldeke in dienst was « der Grafen von Looz und Rineck, welche zugleich die Burggraff- schaft von Mainz bekleideten » (2).
Daarentegen hadden Daris en Daniëls het mis voor, waar de eerste oordeelde dat de vrouw van Lodewijk I, Veldeke’s beschermvrouw, «die edel. Agnes » eene « dochter was van Otho, Graaf van Reineck en erfgenaam van, het graafschap van dien naam (3) », waaraan Daniëls toevoegde dat Agnes’ zoon, Graaf Geraard, den naam van dit graa’schap Reineck bij dien van Loon verbond (4). — Bedoelde Otho immers is een Graaf van Rheineck op den Ryn die niets uitstaan heeft met de Graven van Rieneck op de Sinn, on Beieren, en de Graven van Loon waren reeds Graven van Rieneck sedert Arnold 1, overgroot- vader van dezen Graaf Geraard van Loon, de dochter van Geraard, Graaf van Rieneck huwde (5).
Deze stad Rieneck lag niet ver van Thuringen af, en was
(1) REusSENs, Annalectes, p. 233, n° XIII. Vgl. Daris, Hist. de la bonne ville.…, I, p. 423, waar sprake van een charter van 1176 waarin zich Geraard becitelt « Graaf van Loon en Reineck » (= Rieneck).
(2) SCHERER, Gesch. d. deutsch. Liter, S. 145. Vgl. Prerers’ Konv. Lex, VIII, S.364. (En niet, zoo 't P. SCHEPENS aanhaalt, in zijn on- langs verschenen verhandeling, dat « de graven van Reineke tevens Burggraven van Mainz waren », op. cit, blz. 34.
(3) Daris, Hist. du Diocèse, I, p. 676, evenals Hist. de la bonne ville.…, I, p. 420.
(4) DANIELS (D. J. M.), in De Onafh., n! 20, dato 14 Mei 1911, even- als nf 24, dd. 11 Juni 191). BoRMANS daarentegen aanziet Agnes als de dochter van Geraard van Reineck (op. cit, p. 16, evenbls ia Bull. Ac. Roy., 1857, p. 503). Zie hierover, volgend hfst.
(5) Steeds gewaagden allen, die dit punt aanraakten, van Reineck in plaats van Rieneck, alhoewel er hier geenszins sprake kon zijn van Reineck, ten Noorden van Coblentz gelegen, — doch slechts van Rieneck in Beieren, stad gelegen op de Sinn, bijrivier van de Main. — Trouwens, steeds werd wel Rieneck bedoeld, want o.a. DARIS spreekt van a Reinecke près de Würtzburg » (Hist. du Diocèse, I, p. 676) ; BORMANS van « Reinecke près de Würtzburg en Franconie» (Bulletsn Ac. Roy. 1857, p. 503) en DANIELS verklaarde : « Reïneok ligt én Fran. conië tusschen Mainz, Wurtzburg en Fulda » (De Onafh., nf 20, dd. 14 Mei 1911, evenals n! 24, dd. 11 Juni 1911).
— 93 —
er slechts van gescheiden door het domein van Fulda, en de stad Mainz, waar de Graven van Loon slotvoogden waren, is gelegen op den Rijn in Hesse-Darmstad. Het zal dan ook niemand verwonderen dat Hendrik van Veldeke, in zijne Eneïde, spreekt van zijn bezoek in het land van Thuringen, evenals van zijne tegenwoordigheid op het « hôtîde », te Mainz. Immers, mogelijk als waardigheidsbekleeder : « ministerialis » of « dapifer », waarschijnlijk ten minste als hoveling, zal onze dichter, wellicht omstreeks de periode 1171-1195, zijn ver- moedelijke leenheeren op hunne reizen vergezeld hebben zoowel naar Thuringen als naar Mainz, te meer daar Graaf Geraard van Loon, volgens een akte van 1187, tevens voogd was van Aschaffenburg, niet ver van Rieneok gelegen,